Home

Steenbok - het zonneteken van 21 december tot 19 januari

De Steenbok is een lichtzwak en geheimzinnig beeld. De Steenbok heeft als achterlijf een vissenstaart. Bij helder weer laten twee paren van sterren, rechts boven in een hoorn en geheel links in de vissenstaart, zich zien. De andere sterren zijn nog zwakker en kunnen alleen onder ideale omstandigheden worden waargenomen. De Steenbok is een klein beeld, maar toch staan de beide paren nogal eenzaam, relatief ver van elkaar.

In de meer zuidelijk gelegen gebieden klimt de Steenbok hoger. Daar is aan de donkere zuidelijke hemel de gehele lichtcompositie goed te herkennen. In juli is hij van zonsondergang tot zonsopkomst aan de hemel. In de zomermaanden staat hij 's avonds aan de hemel. Licht er in het wazige gebied van de Steenbok iets intensief op, dan zie je geen ster, maar een planeet.

De verbindingslijn tussen de blauwwitte Wega (in de Lier) en de geelwitte Altair (in de Arend) wijst naar de horens van de Steenbok, het westelijke paar sterren. De horens verschijnen als eerste in het zuidoosten en komen aan de zuidoostelijke hemel hoger uit de dampkring tevoorschijn dan de sterren van de vissenstaart. Bij het dalen aan de zuidwestelijke hemel staan de horens lager dan de staart. Wanneer laag in het zuiden Fomalhaut (in de Zuidervis) oplicht, bevindt de vissenstaart zich tussen de kop van de Arend en Fomalhaut in de Zuidervis.

Direct boven het oostelijke paar sterren bevindt zich een arm van de Waterman. Aan de hemel is er geen duidelijke grens tussen deze twee Dierenriembeelden.

De Steenbok heette oorspronkelijk bij de Babyloniërs geit-vis en heeft in de Griekse cultuur de naam Steenbok gekregen.
 

De Babylonische godenwereld heeft drie hoofdgoden:

  • de hemelgod Anu
  • Enlil, de Heer Ether, hij heerst over de ruimte tussen hemel en aarde
  • Enki, Heer Aarde, later Ea genoemd

Ea bouwde zijn huis in de wereldwaterbron. E betekent huis; a water. Ea leek op Anu, hemel en aarde zijn twee helften van een eenheid. Ea had de mensen geschapen uit klei en stond hen bij in hun problemen. Hij was wijs en leerde de mensen handvaardigheden en kunsten.

Ea werd afgebeeld met twee stromen water die uit zijn armen vloeiden. Ea had een minister, de god Usmu die twee gezichten had. Het ene keek naar het verleden, het andere naar de toekomst (de maand januari is genoemd naar de Romeinse god Janus, die eveneens naar het verleden en de toekomst keek). Hij had bovendien een bijzonder dier, een geitvis die eruit zag als een geit met een vissenstaart. Deze heette SUHUR.MAS (Suhur betekent geit, mas is een vis). Ea heerste over het gebied waar de geitvis kon vertoeven: van de diepste wateren tot hoog in de bergen.

Tijdens de Babylonische cultuur doorliep de zon in het sterrenbeeld GU.LA (de Waterman) zijn kortste en laagste hemelbogen. De Babylonische Waterman werd afgebeeld als een man met twee kruiken. GU.LA behoorde tot de oudste groep van 36 sterrenbeelden (1600 v. Chr.), terwijl SUHUR.MAS pas later (700 v.Chr.) als sterrenbeeld genoemd werd. Hij behoorde, evenals GU.LA, tot de 17 sterrenbeelden die zich bevonden op de weg van de maan.

In een tekst uit omstreeks 450 v. Chr. verscheen voor de eerste keer de lijst van de twaalf Dierenriembeelden. Hierop stond SUHUR (geit). In de Egyptische tempel van Dendera is rechts van de Waterman eveneens een geit-vis afgebeeld.
 

De Griekse namen waren zee-geit en Aigokeros, geit-hoorn, in het Latijn: Capricornus. Het sterrenbeeld kreeg later de naam Steenbok, een snel bewegende geit met machtige horens die op de hoogste bergen wordt aangetroffen. Hij wordt echter nog steeds afgebeeld als een geit-vis.

De Griek Euktemon maakte 430 v. Chr. een Dierenriemteken-kalender en legde vast dat de zon tijdens de winterzonnewende het Dierenriemteken Steenbok binnentrad. Wanneer de zon in het teken Steenbok staat (tussen ongeveer 22 december en 20 januari), beginnen de dagen te lengen. De Steenbok werd symbool voor het nieuwe licht. De streek op aarde (23˝° zuiderbreedte), waar de zon omtreeks 22 december tot in het zenith klimt, kreeg de naam Steenbokkeerkring. Tegenwoordig komt de zon omstreeks 19 januari in de Steenbok en omstreeks 16 februari in de Waterman.
 

De Grieken hadden meerdere verhalen over de Steenbok, hun herdersgod Pan.

De mooie dochter van een herder was bij de geboorte van haar kind zo geschrokken van zijn horens, sik, ruige beharing en bokkepoten, dat ze vluchtte. Zijn vader Hermes was echter zeer verheugd. Trots snelde hij met zijn kind naar de Olympos. Alle goden hadden plezier om deze baby en omdat hij ieder zo goed beviel, kreeg hij de naam Pan (Grieks voor allen).

Pan werd zeer geliefd bij de herders, berg- en bosnymfen, faunen en bij de god van de wijn, Dionysos. Hij had zelf echter in de liefde weinig geluk. Toen hij hevig verliefd werd op de nimf Syrinx, rende zij weg. Bij de oever van een rivier verborg ze zich en veranderde zich in een rietstengel. Pan omarmde de stengel en hoorde bij het blazen van de wind klagende tonen. De herdersgod sneed van de stengel zeven stukken af en maakte een fluit (de panfluit). Zo houdt hij toch zijn geliefde aan zijn mond.

Toen Zeus in zijn afschuwelijke strijd met de vuursnuivende reus Typhon het onderspit leek te delven, stootte Pan een verschrikkelijke schreeuw uit. Het monster vluchtte uit panische (!) angst. Door dit kordate optreden van Pan kon, tot ieders opluchting, Zeus zich handhaven als heerser over de goden.

 

naar bovencontact  ·  home