Home

"De plant in het jaarverloop, het jaarverloop in de plant"

Een literatuurstudie van het
morfologisch jaarverlooponderzoek
van Jochen Bockemühl
met commentaar vanuit voedingskundig oogpunt

Louis Bolk Instituut, Driebergen.
Part-time onderzoek 1995-1998


Inhoud

1. Inleiding
2. Wortelvatenonderzoek 1967-1969
3. Compostonderzoek 1969-1971
4. Een meerjarig onderzoek naar de vormende krachten van het jaarverloop 1968-1972
4.1 Inleiding
4.2 Het experiment met klein kruiskruid (Senecio vulgaris)
4.3 Beschouwingen
5. Beoordeling van de werking van bloempotten op planten 1970-1972
6. Over de klaproos en verwante soorten 1971-1973
6.1 De ontwikkeling van klaproos
6.2 Vormverandering en substantievorming
6.3 De ontwikkeling van klaproos in het jaarverloop
6.4 Verwante soorten
7. Voedingskundig onderzoek aan radijsjes 1972-1975
7.1 Inleiding
7.2 Methodische opmerkingen
7.3 Het radijsje
7.4 Het jaarverloopexperiment bij radijs
7.5 Over de verhouding tussen plantenproces en menselijke voeding
7.6 Vergelijking tussen de plantenontwikkeling en het menselijke beleven in licht en schaduw
8. Afronding
8.1 Vervolgonderzoek waarin gebruik wordt gemaakt van de jaarverloop
8.2 Samenhangen tussen de vorm van de plant, haar standplaats en het tijdstip van bloeien
8.3 Voedingskundig nawoord over de relatie van de plant tot zijn oerbeeld en tot het jaarverloop
Eindnoten
Literatuur

1. Inleiding

Het thema van deze literatuurstudie is de ontwikkeling van de plant in samenhang met de seizoensveranderingen door het jaar heen. De plant ontwikkelt zich onder wisselende omgevingsinvloeden. Voor het verkrijgen van inzicht in het tijdsgebeuren moet de onderzoeksmethode zodanig zijn dat de processen in hun dynamiek bestudeerd worden. De antroposofische bioloog Jochen Bockemühl heeft meerdere stappen gezet op de weg naar een 'ganzheitliche Anschauung'.
Enkele methodische opmerkingen:"

"Wollen wir sie (LB: die Pflanzenformen) dagegen zeitlich erfassen, so müssen wir unsere Betrachtungsweise ändern. Etwas unter dem Aspekt der Zeit zu betrachten, bedeutet, sich für Verwandlungen empfänglich zu machen, sich selbst der sinnlich gegebenen Anschauung gemäß in Bewegung zu bringen. Indem wir so die einzelnen Formen nacheinander betrachten und in der Vorstellung ineinander überführen, bringen wir anfänglich die Zeit wieder hinein." (El.N. 16, 1972).
"... soweit wie möglich beim ursprünglichen, einheitlichen Eindruck der Erscheinungen zu bleiben. Für die Pflanze bilden die sich ständig wandelnden Lebensbedingungen eines Ortes eine einheitliche Umwelt, auf die sie ganzheitlich antwortet und selbst gestaltend zurückwirkt. Was dabei geschieht, findet in ihren Formen einen bildhaften Ausdruck.
Die zunächst aus dem Zusammenhang herausgelösten und dadurch zum Bewusstsein gebrachten einzelnen, an der Pflanze gewonnenen Bilder sollen in diesen Zusammenhang durch die eigene Tätigkeit wieder eingefügt werden. Es geht darum, im Übergang von einem zum anderen Bild den Zusammenhang erlebend zu realisieren und so die einzelne Erscheinungen sich innerhalb der jeweils erfassten Ganzheit als Geste aussprechen zu lassen. Auf diesem Wege werden Anschauungen von Qualitäten gesucht, nicht abgesonderte Ursache-Wirkensbeziehungen oder Normen."

Het innerlijk navoltrekken van het gebeuren houdt veel meer in dan een uiterlijke vergelijking. De chemicus Manfred von Mackensen benadrukt dat onderzoek naar bijv. de ontwikkeling van een plant van de onderzoeker veel méér innerlijke beweeglijkheid vraagt dan met een grafische blik kijken naar het beeldmateriaal en het registreren van verschillen (voordracht lerarenconferentie, 1993).

Elk onderzoek staat of valt met de proefopzet. Voor morfologisch onderzoek moet het experiment zodanig worden ontworpen dat er beeldmateriaal kan ontstaan dat zeggingskracht heeft. Bockemühl spreekt over 'Experimente zur Erweiterung der Anschauung'.
Over experimenteel onderzoek aan de plant in het jaarverloop bestaat uiteenlopende literatuur.
Ate Koopmans heeft aan de mistel kristallisatieonderzoek gedaan (El.N. 16, 1972). Op het Carl Gustav Carus-Institut zijn er botanisch gespecialiseerde experimenten verricht (bijv. C. Liesche, 1986; B. Heyden, 1987). De Zweed G. Rappe heeft bij granen die op verschillende noorderbreedtes geteeld waren naar het jaarverloop gekeken (publicaties in 1946-1977).
Voor het beoordelen van de produktkwaliteit van planten hebben meerdere onderzoekers ook gekeken naar de plant in het jaarverloop; zie bijv. het wortelonderzoek van Jan Bokhorst (1982), het suikerbietenonderzoek van Tom Saat (1984).

Bij de keuze van de literatuur is niet gestreefd naar volledigheid. In deze literatuurstudie wordt alleen (een deel van) het experimenteel onderzoek van Bockemühl en zijn visie op de plant in het jaarverloop besproken.

De schrijfster (LB) had voor het begrijpen van het werk van Bockemühl veel aan het geesteswetenschappelijk onderzoek van Rudolf Steiner. Zijn teksten worden echter niet expliciet besproken. Ook waardevol werk van biologen zoals Frits Julius e.a. is niet opgenomen. Wolfgang Schad beschreef in zijn botanisch artikel over 'Wandlungen der Metamorphosen' (1990) ideeën over de ontwikkeling van de plant op zo'n wijze dat deze tekst direct aansluit bij het thema. Ook dit valt buiten het kader van deze literatuurstudie over experimenteel onderzoek.

De reeks artikelen van Bockemühl in het tijdschrift 'Elemente der Naturwissenschaft (El.N.)' zijn de vruchten van het werk van meerdere mensen. Vanaf eind jaren zestig hebben de medewerkers van het 'Forschungslabor am Goetheanum' en later ook studenten* aan planten, bomen, landschappen, vogels, insekten enz. in jaarverloopstudies waarnemingen verricht en samenhangen ontdekt.

* In de jaren zeventig ontstond voor mensen die hun werk met de natuur op een nieuwe wijze willen beoefenen het antroposofisch natuurwetenschappelijke studiejaar, genoemd het 'Studie- en onderzoeksjaar aan het Goetheanum'.

In het tentoonstellingsboek 'Lebenszusammenhänge' (1980) staan meerdere hoofdstukken over 'der Jahreslauf als Ganzheit in der Natur'. Bockemühl begint met meer methodische beschouwingen over de wijze waarop je als mens je tot het jaarverloop verhoudt.

"Het jaarverloop kan niet in afbeeldingen worden weergegeven. We kunnen slechts beelden van afzonderlijke ogenblikken meer of minder goed vastleggen en zo bepaalde belevenissen in de herinnering roepen. Maar de samenhang bestaat in de verbinding van het ene beeld met het andere, die we zelf maken en die tevens onzichtbaar ten grondslag ligt aan de reeks verschijnselen. ...
De eigen verbindende activiteit maakt ons opmerkzaam, hoe in elk beeld iets ligt, dat ernaar streeft te veranderen in het volgende beeld. ...
Hoe dieper wij binnendringen in het beleven van het jaarverloop, des te duidelijker vormt zich in ons de achtergrond van waaruit alle natuurverschijnselen beginnen te spreken" (hoofdstuk 14).

Vervolgens biedt het boek een samenvatting van zijn experimenteel jaarverlooponderzoek en de daaraan ontwikkelde inzichten. Bij de bespreking van de literatuur is echter gekozen voor een chronologische volgorde. Hiervoor zijn de artikelen uit Elemente der Naturwissenschaft bestudeerd. Er is gestreefd na te gaan:
ï¡ï¿¾ uit welke vraagstelling de experimenten waren voortgekomen,
ï¡ï¿¾ de wijze waarop de experimenten zijn 'ontworpen',
ï¡ï¿¾ hoe de praktische uitvoering verliep,
ï¡ï¿¾ hoe op grond van de experimenten bepaalde inzichten konden ontstaan*,
ï¡ï¿¾ welke nieuwe onderzoeksvragen ontstonden.

* Zie voor de basisbegrippen in de goetheanistische natuurwetenschap de literatuur. In meerdere onderzoeksverslagen worden begrippen zoals de vier vormbewegingen van een bladvormenreeks nader toegelicht.

Het jaarverlooponderzoek van Bockemühl heeft in zich de potentie op het gebied van de landbouw, de veredeling, de farmacie en de voeding tot een nieuw handelen te komen. Hiervoor is nodig dat men aan de omgang met levensprocessen een levendig, aanschouwend denken ontwikkelt. Goed beeldmateriaal waarmee de ontwikkeling van de ene plant vergeleken kan worden met de ontwikkeling van de andere plant draagt hieraan bij. Het leren lezen van de verschillen in de ontwikkeling is een van de activiteiten die geoefend moeten worden.
De literatuur is bestudeerd met de vraag naar de mogelijke voedingskundige consequenties van het jaarverlooponderzoek. In de tekst staan commentaren die uit deze invalshoek zijn geschreven.

2. Wortelvatenonderzoek 1967-1969

Het onderzoek 'Gartenkresse, Kamille, Baldrian' (El.N. 11, 1969) was opgezet om via de nieuw ontwikkelde methode van de wortelvaten waarnemingen te verrichten aan de groei van de planten in verhouding tot de bovengrondse ontwikkeling. Bockemühl had zich als opgave gesteld te komen tot een 'rationelle Organik': "Die Bildebewegungen verschiedener Pflanzen vergleichend darzustellen und daran allgemeine Gesetzmässigkeiten des Lebendigen und charakteristische Züge einzelner Arten herauszuarbeiten."
Uit het experiment ontstonden interessante gezichtspunten over het jaarverloop. Bockemühl kon karakteristieke verschillen tussen de tuinkers, de kamille en de valeriaan aangeven door te kijken hoe deze planten zich in het jaarverloop ontwikkelden. Hij beschreef de ontwikkelingsdynamiek van de plant in het jaarverloop en stelde vragen over de ontdekte samenhangen.

Tuinkers Gartenkresse Jochen BockemÃÆ'ƒÂ¼hl

Fig. 2-1. Het ontwikkelingsverloop van tuinkers van 23-8 tot 3-10-1967.
De plant was gezaaid op 14-8 -67.
De verwelkende bladeren zijn met stippels getekend; de zijspruiten zijn globaal aangegegeven.

Tuinkers (de sterkers), een typische snelgroeiende eenjarige plant, werd half augustus gezaaid. Eerst groeide de hoofdwortel snel in de diepte, terwijl de stengel zich maar weinig strekte. De bladeren staan aan de stengel steeds verder uit elkaar; er wordt geen rozet gevormd.
Later gebeurde het omgekeerde: de wortelgroei gaat meer in de breedte, verminderde dieptegroei, terwijl de stengel zich sneller strekt. De bloei vond half oktober plaats. De plant viel op door de bijzondere dieptegroei van de hoofdwortel. Bockemühl vroeg zich af of dit kwam door de tijd van het jaar waarin de planten groeiden (van half augustus tot de bloei van half oktober).

klik om te vergroten


Fig. 2-2. Het ontwikkelingsverloop van kamille van 20-7-1968 tot eind april 1969.
De plant was gezaaid op 6-6-1968.

Kamille heeft twee duidelijk na elkaar verlopende ontwikkelingsfases: eerst een langere fase van uitbreiding in een rozet (de vegetatieve fase), daarna de lengtegroei en de bloemaanleg (de generatieve fase).
Op 6-6-1968 was er gezaaid. Na twee weken was er de ontkieming. Plant 1 is het kiemplantje op 20-7. Op 1-8 (plant 2) zijn er nog maar vier blaadjes. Op 15-8 (plant 3) zijn de langste blaadjes 2 cm. De hoofdwortel is al 40 cm. Deze zal tot tot midden september regelmatig door groeien, eveneens de zijwortels. Plant 4 op 22-8; plant 5 op 5-9 en plant 6 op 19-9. De rozet heeft dan al 92 blaadjes (de grootste zijn 13 cm.). Midden november is de wortelontwikkeling eigenlijk afgesloten. Plant 7 (eind april) heeft ongeveer hetzelfde wortelbeeld. De hoofdwortel was in het bovenste deel sterk verdikt en er waren gelijkwaardige wortels ontstaan die in de diepere lagen ook loodrecht omlaag groeiden. Bovengronds waren er zijspruiten gekomen.
In het volgende voorjaar (plant 7) waren talrijke kleinere worteltjes verdwenen. Onderaan waren tijdens het opnieuw groeien van de rozet zijwortels erbij gekomen. De overgang van de rozet- naar de stengelgroei vond eind april plaats.
Bij het schieten hield de wortelgroei bijna volledig op. Juist in de fase van de enorme bovenaardse groei, was er nauwelijks wortelgroei! Half juni (plant 8) bloeide de plant (lengte 80 cm; hoofdstengel 150 bladeren; 94 bloemhoofdjes). In juli, nog tijdens de bloei, verwelkte de plant van beneden af zeer snel en ontstond er zaad. De levenscyclus is na ruim een jaar afgerond.

De kamilleontwikkeling toont een duidelijke grens tussen de vegetatieve fase en de generatieve fase.
Bij de kamille die overwintert, gaat de plant in het voorjaar eerst opnieuw verder met de rozetvorming; pas later in het voorjaar komt de generatieve fase. De winter vormt dus niet de grens tussen de vegetatieve en de generatieve fase.
Planten die in het voorjaar ontkiemen, groeien niet zo krachtig uit als de planten die al in de voorafgaande zomer en herfst de eerste fase van hun ontwikkeling doormaken. Deze planten hebben naar de winter toe een sterke dieptegroei van de wortels.

klik om te vergroten


Fig. 2-3. De bladvormenreeks van de hoofdspruit van kamille (zie fig. 2-2).
Een selectie van de 150 bladeren.

De bladvormenreeks begint met een uitbreiding en samentrekking. Deze bladeren zijn gevormd voor de winter. De tweede uitbreiding (rozetbladeren in het voorjaar) wordt gevolgd door een samentrekking (de plant zal gaan schieten en bloemknoppen vormen). Nu is er ook sprake van een vormverandering. Dan volgt er nog een uitbreiding en samentrekking (stengelbladeren).

klik om te vergroten


Fig. 2-4. Het ontwikkelingsverloop van valeriaan van 17-10-1967 tot augustus 1968.
De plant was gezaaid op 7-10-1967.

Bij de meerjarige valeriaan is de ontwikkeling gecompliceerd. De vegetatieve en de generatieve fase zijn nog duidelijker van elkaar gescheiden dan bij de kamille. De winters zijn de belangrijke overgangstijden: na de tweede winter is er niet alleen geen verdere wortelgroei, ook de rozetvorming is dan afgesloten.
De plant die 7 oktober 1967 was uitgezaaid, had in het eerste jaar tot eind december een zeer langzame groei (planten 1, 2 en 3). De wortels vertakken zich snel. Ze worden dikker en krijgen een bruine kleur. Tot midden april groeien ze niet verder.
Eind maart 1968 kwamen de bladeren aan de groei (plant 4). Vanaf midden april 1968 ook de wortels (plant 5). Begin mei groeiden de wortels nog langzaam. Midden juli hebben de wortels zich meer uitgebreid (plant 6). De rozetbladeren bereikt nu haar grootste lengte. De bladgroei toont nu sterk een spreidende tendens. De bladgroei liep voor op de wortelgroei. Eind augustus 1968 was er een grote onder- en bovengrondse plant (plant 8). Er zijn zijspruiten. De nieuwe rozetbladeren hadden lange stelen (eigen aan de eerste bladeren van de nieuwe plant) én tamelijk gespitste bladeren (eigen aan de laatste bladeren van de hoofdstengel).
Midden november waren er nog veel meer wortels; ze zijn sterker verdikt (plant 9). Bovenin maakt het geheel meer een klokvormige indruk; naar beneden toe lopen ze meer verticaal. Er zouden nauwelijks meer wortels bijkomen. De bovengrondse plant was bijna geheel verdwenen; kleine blaadjes vormden een soort knop in de aarde. Het rhizoom* (wortelstok) had zich sterk verdikt. De plant had zich in de aarde teruggetrokken. * Ondergronds groeiende verdikte stengel, meestal in horizontale positie. Hieruit groeien de eigenlijke wortels.
Na de tweede winter (1968-1969) ontwikkelde zich een plant met veel nieuwe eigenschappen (plant 10). De nieuwe bladeren groeien sterk in de hoogte; ze hebben een dikke, holle steel. Midden juni is de bloeiende plant al 140 cm (plant 11). Ze zal nog langer worden en verwelkt. Het stijl omhoog groeien bij een enorme lengtegroei (170 cm), de scherp gesneden geveerde bladeren aan de einde van de ontwikkeling, de samengestelde bloemschermen met de wegwaaiende zaadjes aan fijne pluisjes, elk toont een 'Geste des Versprühens'.
In augustus 1969, terwijl in de bloemschermen de zaden zich vormen en deze wegwaaien (plant 12), is er aan de basis een vernieuwde groei: nieuw zijspruiten en nieuwe wortelgroei (plant 13). De nieuwe bladeren zitten dicht bij het rhizoom boven de oude zijwortels.

klik om te vergroten


Fig. 2-5. Een selectie van de bladeren van de hoofdspruit van valeriaan (zie fig. 2-4).

De kiembladeren en de voorjaarsbladeren hebben meer ronde vormen. Daarentegen hebben de bladeren die in de eerste herfst gevormd en de bladeren in de buurt van de bloemen meer gespitste vormen.
Tussen de eerste bladeren (slap, rond, veel variatie) en de laatste (zo sterk ingesneden dat het geveerde bladeren zijn) is er een grote tegenstelling.

Samenvatting
Gezien vanuit de ontwikkelingsdynamiek in het jaarverloop vormen de planten tuinkers, kamille en valeriaan een bepaalde reeks:
ï¡ï¿¾ Bij de tuinkers zijn de vegetatieve en de generatieve ontwikkeling niet gescheiden; bij kamille en valeriaan wel.
ï¡ï¿¾ Bij de tuinkers verschuift de verhouding tussen wortel- en stengelgroei geleidelijk.
ï¡ï¿¾ Bij kamille verloopt de overgang van de vegetatieve naar de generatieve processen eind april (in het tweede groeiseizoen); deze duurt kort.
ï¡ï¿¾ Bij valeriaan valt de overgang tussen de vegetatieve en de generatieve ontwikkeling in de tweede winter; deze duurt lang. Valeriaan heeft ook qua vorm sterkere tegenstellingen tussen de vegetatieve en de generatieve ontwikkeling dan kamille.

Nabespreking en vragen
De rozetbladeren van de valeriaan waren in het tweede groeijaar (augustus 1968) langstelig en hadden spitse randen.
ï¡ï¿¾ Het langstelig-zijn is eigen aan vegetatieve bladeren. Bij de eerste bladeren zijn het lineaire strekken en het rondende uitbreiden de overheersende vormende processen.
Bockemühl kon in later onderzoek bevestigen dat het langstelig zijn verwantschap heeft met het in-de-diepte groeien van de wortels (zie El.N. 15, 1971 en El.N 16, 1972).
ï¡ï¿¾ Valeriaan vormt zowel in de tweede herfst (augustus 1968) als een jaar later in het bloemgebied (juni 1969) bladeren met spitse randen.
Stengelbladeren, de als laatste voor de bloemknop aangelegde bladeren, zijn normaliter spits. Bijzonder is dat ook de rozetbladeren spits zijn. Deze bevinden zich immers niet hoog aan de stengel of in het bloemgebied. Het toegespitst zijn van de rozetbladeren noemde Bockemühl een herfstteken. De bladvorm brengt de samentrekkende tendensen van het jaarverloop, herfst-tendensen, in beeld.

Bij de langstelige, gespitste rozetbladeren treedt als het ware een doordringing op van dat wat normaliter na elkaar plaatsvindt: tijdens de rozetfase een uitbreidende tendens: groei van langstelige, ronde bladeren; tijdens het fijn uitdifferentiëren van de gehele gestalte en de bloemaanleg een samentrekkende tendens: het toespitsen, het terugtrekken uit de ruimte. Vegetatieve processen (langstelige bladeren) en generatieve processen (het toespitsen) doordringen elkaar.
Bij valeriaan hangt het doordringen samen met verschuivingen in het jaarverloop: processen die eigen zijn aan het voorjaar (rozetvorming) vinden plaats in de herfst.

Bij de (driejarige) valeriaan zijn de tegenstellingen tussen de vegetatieve en de generatieve ontwikkelingen groter dan bij de (tweejarige) kamille en de eenjarige tuinkers. De generatieve ontwikkeling heeft haar kenmerkende eigenschappen (lengtegroei, vertakking, verfijning, 'versprühen') in versterkte mate. Valeriaan vormt een langer houdbaar skelet.

Boeiend zijn de samenhangen met het jaarverloop:
Bij valeriaan vindt de overgang tussen de vegetatieve en de generatieve fase plaats in een lange donkere periode, tussen midden november 1968 en maart 1969. Van december tot maart wikkelt de zon zich steeds krachtiger uit. Bij de kamille die in juni was gezaaid, vindt deze overgang daarentegen plaats in de tijd van het jaar dat de dag al langer is dan de nacht; de zon heeft in april zijn sterkste uitwikkelende beweging al gehad.

Proberen we dit in een grotere samenhang te plaatsen:
De zon doorloopt in een jaar na elkaar tegengestelde bewegingen; het jaarverloop toont tegenstellingen. De ontwikkeling van valeriaan toont meer tegenstellingen dan die van kamille en tuinkers (m.n. de sterke samentrekking in de winter en de enorme lengtegroei en de versproeiing in de zomer). Vergelijken we tuinkers, kamille en valeriaan:
De ontwikkeling van valeriaan toont voor en na de tweede winter een sterkere tegenstelling tussen het vegetatieve en het generatieve. De ontwikkeling van valeriaan loopt het meest synchroon met de (tegengestelde) zonnebewegingen in het jaarverloop.

Hierbij ontstaat de vraag of ook bij voedingsplanten zulke samenhangen voorkomen. Doorlopen voedingsplanten die meer synchroon leven met het jaarverloop grotere tegenstellingen? Ontwikkelen ze zich intensiever?

Het doordringen van tegengestelde processen (het uitbreidende én het samentrekkende) is een van de kenmerkende eigenschappen van voedingsplanten (massavorming én het vormen van vruchten met een zachte, eigen smaak).

"Was der Nahrungspflanze gegenüber der Wildpflanze an äusserer Gestaltung und Differenzierung verloren geht, muss aber als innere Gestaltung erhalten bleiben" (Lebenszusammenhänge, 1980).
"... beruht die Entwicklung einer Nahrungspflanze darauf, dass die Form- und Individualisierungsphasen den Impuls- und Entwurfsphasen entgegengeschoben werden" (El.N. 39, 1983).

3. Compostonderzoek 1969-1971

In 1969 en 1970 was er in het Forschungslabor am Goetheanum een komposteringsonderzoek met stadsvuilnis en zuiveringsslib. Hierbij werd behalve met de voedingsplanten kropsla, bloemkool en mais ook gewerkt met klein kruiskruid (Senecio vulgaris). In de jaren 1968-1970 was er een groot experimenteel onderzoek met klein kruiskruid om de werkzaamheid van het jaarverloop in beeld te brengen.
In 1971 bevestigde Bockemühl wat in 1969 nog vraag was: 'Die relativ zur oberirdischen Pflanze längeren Wurzeln waren jedenfalls Ausdruck einer mit dem absteigenden Jahreslauf zusammenhängenden Bildungsrichtung.' (El.N. 15, 1971.)

Commentaar
Tussen 'de tijd van het jaar waarin de zon zich steeds dieper onder de horizon verbergt' en 'de versterkte wortelgroei in steeds diepere aardlagen' is er een bepaalde samenhang. De inwikkelende beweging van de zon en de groei van de wortels tonen vergelijkbare gebaren. Een wezensverwantschap manifesteert zich. Hetzelfde geestelijke principe (dezelfde idee) verwerkelijkt zich zowel in het steeds meer verborgen worden van de zon, het steeds dieper achter de horizon verdwijnen, als in het steeds meer de diepte ingroeien van de wortels.

Er stond in het onderzoeksverslag nog een voedingskundig interessante opmerking over cultuurplanten en bemesting.
".. dass die Wurzel durch den Dünger nicht nur Substanzen (Mineralstoffe, Stickstoff usw.) bekommt, sondern dass sie zugleich angeregt wird, das Erdreich zu durchdringen und die Substanzen aufzunehmen. Die Fähigkeit dazu haben offensichtlich die untersuchten, auf Kulturboden, d.h. Düngung angewiesenen Kulturpflanzen von sich aus in stärkerem Masse als die Wildpflanze. Sie können auch, wenn vom Boden her diese Anregung geringer ist, aber genügend Substanzen angeboten werden, solche verstärkt aufnehmen. Möglicherweise ist aber dadurch bei ihnen auch das geringer. Das heisst, sie sind weniger gegen Substanzeinflüsse, die von einer harmonischen Entwicklung ablenken."
Voedingsplanten moeten als het ware beschermd worden tegen een te sterke opname van mineraliën. Bij bijv. een hoge nitraatbemesting worden de planten gedwongen tot een eenzijdige vegetatieve groei, die een gezonde verdere ontwikkeling belemmert.

4. Een meerjarig onderzoek naar

de vormende krachten van het jaarverloop 1968-1972


4.1. Inleiding

De opzet van het experiment
In 1972 verscheen een uitvoerig artikel (El.N. 16, 1972, 16 blz.) over een driejarig experiment (ongeveer 700 planten per jaar, van 1968 tot en met 1970). Vanuit uiteenlopende invalshoeken werd ingegaan op de verhouding tussen de plantenontwikkeling en het jaarverloop. De titel 'Der Jahreslauf als Ganzheit in der Natur' (LB: het jaarverloop als een geheel, als een wezen) en de ondertitel 'ein Weg zu einem schrittweisen Begreifen, entwickelt an Versuchsarbeiten mit Senecio vulgaris (gemeines Greiskraut, klein kruiskruid)' geven aan langs welke weg geprobeerd wordt te komen tot een 'ganzheitliche Anschauung'.
De opzet van het onderzoek en de uitvoering was veel groter dan bij de vorige experimenten. Om beelden te kunnen krijgen van de vormende krachten van het jaarverloop is het hele jaar door drie maal in de week gezaaid; dit gedurende drie jaar. Gekozen is voor klein kruiskruid, een plant met een korte ontwikkelingstijd. De planten groeiden acht weken en werden in deze ontwikkelingsfase met elkaar vergeleken (wortelbeeld, tekening van de bovengrondse plant, bladvormenreeks).
De experimenten waren zo opgezet, dat zich eventueel ook fijnere werkingen van de maanritmes en de behandeling met verast zaad af te lezen waren. In het artikel werd beschreven dat hierop nog niet kon worden ingegaan (zie eindnoot 1).
De groei van de plant werd vergeleken met de kwaliteiten van de periode waarin de plant leefde. Dit zoeken naar een meer bewuste omgang met het 'ganzheitliches Jahreslauf-Erleben' leidde zowel tot een meer gedifferentieerd begrip van het jaarverloop als ook tot meer inzicht in de plantenontwikkeling.
Het driejarig onderzoek zou behalve nieuwe inzichten ook beeldmateriaal moeten opleveren dat geschikt is 'zum selbständigen und systematischen, auch kursmässigen Üben in einem lebendigen Naturerkennen.'

Een methodische toelichting
Bockemühl licht in het verslag de methodische aspecten uitvoerig toe:

"Der Mensch lebt im Zeitenlauf, hat Erlebnisse vom Herbst, vom Frühjahr, die ihn für Augenblicke erfüllen, die ihm auch wieder entschwinden. Im unbestimmten Erleben der Veränderung ist das Wesen der Zeit noch enthalten, in der klaren Vorstellung jedoch nicht mehr.
Durch das vorstellende Denken und Erinnern kann der Mensch einzelne Bilder aus dem Zeitstrom herausheben, nebeneinanderstellen. Er kann innerlich frei damit umgehen, gerät damit aber ständig in die Gefahr, aus dem lebendigen Weltzusammenhang herauszufallen, wenn nicht das Bemühen hinzukommt, diesen Zusammenhang im Bewusstsein wieder herzustellen.
... nicht nur mit fertigen Gedanken die Wahrnehmungswelt erfassen zu wollen, sondern immer wieder neu an ihr die Denktätigkeit zu entfalten und dadurch nach und nach auch das Erleben der Veränderung, der Zeit ins Bewusstsein zu heben.
... Die Bildebewegung einer einzelnen Pflanze ergibt sich uns so als eine Art in sich geschlossener Ganzheit. Aus den Zeit- und Raumesverhältnissen der Natur herausgelöst, stellt sie aber wiederum nur eine Einzelheit dar.
Um hier den weiteren Zusammenhang zu finden, folgen wir einer von Rudolf Steiner mehrfach ausgesprochenen Idee: Ein Mensch kann uns ganzheitlich als ein Wesen gegenübertreten. Die Natur kann sich uns jedoch erst ganzheitlich erschliessen, wenn wir auf Rhythmen wie Tageslauf, Jahreslauf und Lebenslauf hinschauen und mit ihnen in gleicher Weise eine Verbindung eingehen, wie bei der Begegnung mit einem Menschen.
Es leuchtet unmittelbar ein, daß sich die Pflanze erst im Wechselspiel des Jahreslaufes zwischen Sonne und Erde voll ausleben kann. Was es aber bedeutet, den Jahreslauf, in welchem man ja selbst darinnensteht, als Ganzheit im Bewusstsein zu realisieren, ohne sich gleich wieder davon abzusetzen, bemerkt man erst nach und nach in der Beschäftigung damit.
Wir dürfen daher diese Leitidee nicht als einen fertiggeformt übernommenen Begriff verwenden, sondern als eine Intention, die den Blick für die Wahrnehmung in einer bestimmten Richtung öffnet. Erst durch das Leben mit einer solchen Idee gewinnt diese also nach und nach an der Anschauung Form und Inhalt.
Den Wandel der Jahreszeiten bemerkt man am Lauf der Gestirne, am gesamthaften Anblick der Pflanzen- und Tierwelt eines Ortes und an den Belichtungs- und Witterungsveränderungen. Während letztere im täglichen Wechsel einen etwas chaotischeren Charakter haben, bilden die Erscheinungen der Pflanzenwelt ein bewährendes Element, an dem die langsamere, tagesläufe übergreifende Veränderung deutlicher wird. Die Erscheinungen der Tierwelt sind demgegenüber viel verborgener. Am stärksten geordnet ist der Lauf der Sterne, auf den wir unsere täglichen Beobachtungen beziehen.
Die andere, oft weniger in einem solchen Zusammenhang beachtete Seite des Jahreslaufes ist ein Wandel unserer Stimmungen, der teils im Einklang, teils im Widerspruch dem Gang der äusseren Rhythmen folgt. Bei einer ganzheitlichen Betrachtung darf diese Seite nicht ausser acht gelassen werden, weil gerade sie, entsprechend geschult, zum Schlüssel für das Erfassen des Jahreslaufes werden kann. Das Erleben mit den zunächst aussen sich abspielend vorgestellten Vorgängen in Einklang gebracht, bringt uns den im Naturlauf wirksamen Wesen näher."


4.2. Het experiment met klein kruiskruid (Senecio vulgaris)

klik om te vergroten

Fig. 4-1: Twaalf verschillende exemplaren van klein kruiskruid. Elke plant is acht weken oud.
Uitgezaaid in 1968, steeds een maand later, in het begin van de maand.
Het Romeinse cijfer geeft aan in welke maand de plant is gezaaid.
Een voorbeeld: plant V is begin mei gezaaid en eind juni geoogst.

Een vergelijking van de twaalf planten
Uit de duizenden exemplaren klein kruiskruid (drie jaar lang was er drie keer per week gezaaid), is er een keuze gemaakt van twaalf planten die om de maand gezaaid zijn. Deze twaalf planten hebben de vorm die voor een bepaalde tijdsbestek typisch was. "Die einzelne konkrete Form soll schön ausgeprägt zeigen, was man an den Pflanzen dieses Zeitabschnittes als Besonderes bemerkt hat." Elk van de twaalf toont het bijzondere van de betreffende groeiperiode (acht weken). De twaalf periodes hebben elk een eigen karakter; dit laten de twaalf representatieve planten zien.

"Die Zwölfzahl der Formen kann aus verschiedenen Gründen als sinnvoll angesehen werden, wurde aber hier zunächst gesetzt und nicht an den Formen als typisch gefunden. Das bedeutete aber nicht, dass sich nicht im Umgang damit auch daran etwas Wesentliches zeigen kann.
So erfährt man bald, dass es notwendig ist, um richtig in den Gang des Jahres als einer Bewegung hineinzukommen, eine genügende Anzahl von Formen zu haben, die nicht weit unter 12 liegen dürfte. Andererseits würde eine wesentliche Vergrösserung dieser Auswahl die Übersicht erschweren."

De twaalf planten vormen een duidelijke reeks: Van januari tot mei leeft het bovengrondse deel van de plant zich steeds sterker uit in het vegetatieve groeien; vanaf mei schiet de plant meer in de bloem- en vruchtvorming. De planten die vanaf augustus gezaaid zijn, groeien steeds minder; ze blijven steeds dichter bij de grond.

I De januari-februariplant ontwikkelt zich bovengronds niet verder dan een kleine rozet. De wortels zijn niet diep in de bodem ingedrongen, maar relatief veel vertakt in horizontale richting.
II De februari-maartplant is krachtiger gegroeid en heeft zich meer gestrekt.
III De maart-aprilplant heeft bloemknoppen die zich al verheffen boven het bladgebied. Veel zijspruiten beginnen zich te strekken. De regelmatig vertakte hoofdwortel is gekomen tot de bodem van het wortelvat.
IV De april-meiplant is aanzienlijk groter en weelderiger. Uit bijna alle bladoksels zijn lange zijspruiten gegroeid. Eind mei is ze nog flink aan het groeien en begint ze al te bloeien. Vooral de onderste zijwortels buigen zich en groeien loodrecht omlaag.
V De plant die begin mei is gezaaid heeft eind juni de vegetatieve periode vergaand afgesloten. Veel bloempjes zijn verwelkt; het zaad is gerijpt. Maar aan de onderste zijtakken zijn nog bloemknoppen. De wortelgroei is nog meer verticaal gericht. Er is niet meer een hoofdwortel; er zijn meerdere wortels die omlaag groeien. De talrijke zijwortels zijn kort.
VI De juni-juliplant heeft zich het meest ontwikkeld. De meeste bloemen zijn zaad aan het zetten. Veel onderste hoofdspruitbladeren zijn al verwelkt. De plant maakt een vegetatief zwakke indruk (weinig wortels en zijspruiten).
VII De juli-augustusplant lijkt veel op de mei-juniplant.
VIII De augustus-septemberplant is aanzienlijk kleiner en heeft veel minder zijspruiten. Bij de wortels domineert de verticale groei.
IX De september-oktoberplant groeit heel traag. De kleine planten komen nog wel tot bloei. De lange hoofdwortel heeft nog maar weinig zijwortels.
X De oktober-novemberplant vormt slechts een rozet en een relatief lange hoofdwortel met wat zijworteltjes.
XI De november-decemberplant heeft de minste ontwikkeling.
XII De december-januariplant is ook zeer klein. Er begint wat meer groei te komen.

Samenhangen tussen de ontwikkeling van de plant en de jaarlijkse zonnebaan
De plant die in de periode januari-mei later is gezaaid, wordt groter; die uit de periode juli-december blijft kleiner. Hier toont zich een beeldsamenhang met het uit- en het inwikkelen van de zon:
ï¡ï¿¾ Bij het hoger en langer worden van de dagelijkse zonneboog wordt de plant in haar acht-weekse groeiperiode groter.
ï¡ï¿¾ Voor de periode juli-december geldt het omgekeerde.
Van alle planten lijken degene die vlak voor en vlak na de zomerzonnewende gezaaid zijn het meest op elkaar; evenzo die van voor en na de winterzonnewende. Ook in dit opzicht zijn de vormen van de plant beelden van de zonnebeweging.
ï¡ï¿¾ De dagelijkse zonnebogen hebben in mei, juni en juli relatief weinig verschil in hoogte en lengte.
ï¡ï¿¾ Evenzo hebben de dagelijkse zonnebanen in november, december en januari slechts een gering onderling verschil.

De wortelbeelden laten echter wel duidelijke verschillen zien tussen

  • de planten die in oktober, november en december zijn gezaaid
    (voor de winterzonnewende nauwelijks zijwortels, meer dieptegroei) en
  • de planten die in januari en februariplant zijn gezaaid
    (na de winterzonnewende veel zijwortels, meer breedtegroei).

De ontwikkeling van de planten na de winterzonnewende is dus niet een eenvoudige spiegeling van de planten ervoor.

Een voorbeeld: plant II (gezaaid in februari) heeft meer zijwortels, een perifere wortelgroei;
plant X (gezaaid in oktober) heeft hoofdzakelijk een verticaal groeiende hoofdwortel, die al veel dieper de grond is ingedrongen bij een geringere bovenaardse groei.
De wortelgroei van de februari-plant toont meer het 'perifeer uitdijen'
(wat eigen is aan de plantengroei in de uitwikkelende periode van het jaar);
die van de oktober-plant het 'concentreren in een recht naar beneden gerichte lijn'
(wat eigen is aan de plantengroei in de inwikkelende periode van het jaar).

Bockemühl karakteriseerde de februari-maart planten met "das im Grünenden Emporstrebende". De oktober-november plant "strebt dagegen im ganzen zur Erde hin und in die Erde hinein".

klik om te vergroten

Fig. 4-2: De bladvormenreeks van de twaalf exemplaren van klein kruiskruid (zie fig. 4-1).

De bladvormenreeks van de twaalf planten
Ook de bladvormenreeksen van de twaalf planten laten verschillen zien. Bij klein kruiskruid zijn de verschillen in de bladvormen echter minder duidelijk dan die bij de plant als geheel.
ï¡ï¿¾ Bij de planten die in de periode tot de zomerzonnewende groeien neemt het aantal bladeren toe,
in de periode erna neemt het aantal af.
Dus weer: uitbreiding in de tijd van de uitwikkelende zon en samentrekking in de tijd van de inwikkelende zon.
ï¡ï¿¾ Bij de planten uit de periode april-oktober zijn de eerste bladeren verschillend van vorm. De april-meiplanten hebben meer ronde vormen. Bij de planten die in de daaropvolgende maanden groeiden, zijn de eerste bladeren sterker geleed en spitser. Hun middelste bladeren zijn eveneens sterker geleed, met meer spitse vormen. Het spreiden vindt meer plaats bij de hoofdnerf van het blad en in het onderste deel van het blad (LB: het zwaartepunt van het blad komt steeds lager te liggen) en wordt vervolgens minder.

Weer zijn er de beeldsamenhangen: de lenteplanten: het ronde - 'überquellendes Wachstum' versus de zomer- en herfstplanten: het spitsen - 'ins Früchten Hineindrängende'.
De bladvormenreeksen van de planten X - XII en I tonen duidelijk het stelen. In de herfst neemt het stelen iets toe, 'welches dem In-die-Tiefe-Wachsen der Wurzel verwandt erscheint'.

klik om te vergroten

Fig. 4-3: De ontwikkeling van de plant die begin juni is uitgezaaid na 2-9 weken groei.

Samenhangen tussen de reeks planten en de ontwikkeling van de juniplant
Bockemühl maakte nog een andere vergelijking om tot meer inzicht te komen. De reeks van de twaalf typische, even oude planten werd vergeleken met de ontwikkeling van de juniplant, de plant die zich binnen acht weken het verst ontwikkeld had. (Deze plant groeide in de lichtste tijd van het jaar.)
ï¡ï¿¾ De reeks van de twaalf maand-planten toont hetzelfde gebaar als de ontwikkeling van een afzonderlijke plant
ï¡ï¿¾ De vormbeweging van de reeks januari - meiplanten toont overeenkomsten met de rozet-, stengel- en bloemvorming van de juniplant (uitwikkelend gebaar).
ï¡ï¿¾ De vormbeweging van de reeks juni-oktoberplanten laat overeenkomsten zien met het verwelken en het "Umwenden der Wachstumprozesse in den Samen hinein" van de juniplant (inwikkelend gebaar).


4.3. Beschouwingen

De idee plant als sleutel tot begrip van de afzonderlijke plant
Bockemühl beschreef tevens enkele meerjarige planten (in de herfst voorbereiding voor het nieuwe groeiseizoen door rozetvorming en wortels die verticaal diep de grond in groeien) en kwam tot de uitspraak:

".. zeigt sich, wie die Bildebewegung des Jahreslaufes in der einzelnen Pflanze wie eine Erinnerung enthalten ist, sich aber je nach Pflanzenart vom gegenwärtigen Jahr in verschiedener Weise zur Entfaltung bringen lässt.
Die Pflanze ist der Inbegriff aller Gestaltungsmöglichkeiten, die im Jahreslauf in Erscheinung treten können."

Wat wordt hiermee bedoeld?
ï¡ï¿¾ De idee plant ('de oerplant') toont zich in een ontwikkeling die de vormende processen en de veranderingen van het jaarverloop synchroon spiegelt.
ï¡ï¿¾ Elke plantensoort is een variatie van de vormende processen van het jaarverloop; bij de ene soort domineert bijv. het voorjaarsproces, bij de andere het zomerproces.
ï¡ï¿¾ De ontwikkeling van de afzonderlijke plant is hier weer een variatie op (bijv. bemesting bevordert het voorjaarsproces).
Deze ontdekking wordt een belangrijke sleutel bij 'het lezen in het boek van de natuur'. In de volgende experimenten komt hij hierop terug en verwoordt hij deze samenhang tussen de plant en het jaarverloop steeds pregnanter.

De gebaren van het jaarverloop en het specifieke gebaar van een plant
In het slotwoord gaat Bockemühl in op het bewust omgaan met de verandering van de stemming in het jaarverloop.

"... So gibt es die Möglichkeit, im Anblick der Pflanzenwelt den Wandel der Jahreszeiten durch tägliches Anschauen zu verfolgen, sich die Stimmungsbildern zu vergegenwärtigen und ihre Verwandlungen nachzugehen.
Auf diesem Wege werden uns die Jahreszeiten zu Bildern des Gestimmt-seins. Nicht das Wachsen oder das Verwelken allein ist dann Gegenstand unserer Aufmerksamkeit, sondern die Art, wie wir diese Vorgänge erleben.* Der Frühling wandelt sich zum inneren Bild, wenn ich das äussere beschreibe: Ich erlebe das in die grünende Gestaltung Hineinwachsen der Pflanzen; oder im Herbst: Ich erlebe das Welkwerden der Blätter, das Absterben der Wurzel, das Abschliessen der Knospen, das In-die-Erde-Hineinwachsen usw. Ein in solchen Gesten aus dem inneren Mitgehen heraus zum Erlebnis gewordenen Jahreslauf stimmt innerlich überein mit den Bildebewegungen der verschiedenen Formenreihen von Senecio vulgaris. Es sind die gleichen Gesten, die sich in der Folge von Wuchsformen aus verschiedenen Jahrzeiten, in den dazugehörigen Blattreihen und in der Entwicklung jeder Einzelpflanze wiederfinden.**
Jede Einzelerscheinung erweitert dieses ganzheitlich angelegte Bild und die am Jahreslauf schrittweise geweckten Erlebnisse lassen mehr und mehr die Ganzheit an der Einzelheit gegenwärtig werden. Je differenzierter wir uns diese Gesten des Jahreslaufes zum Bewusstsein bringen, desto deutlicher beginnt das zu sprechen, was wir in einzelnen Pflanzen als besondere Bildungsweisen erkennen. Eines wird aus dem anderen verständlich."

*Bockemühl appelleert aan het wakker worden voor de eigen innerlijke activiteit bij het meebeleven van het gebeuren in de levende natuur door de dagen heen.

**Het 'oergebaar' van levensprocessen, van ontwikkelingen toont zich op verschillende niveau's.

Relatie tussen de plant en de mens
Het levendige beeld dat door een jaarverloopstudie is ontstaan kan gehanteerd worden als achtergrond om de waarnemingen te laten spreken. In 1972 noemde Bockemühl de vraag naar zinvolle zaaiperioden, de werking van verschillende bemestingsoorten.
In het tentoonstellingsboek 'Lebenszusammenhänge' (1980) wordt in het hoofdstuk over 'Heilpflanzenerkenntnis' een onderzoek uit 1970 over de paardebloem (El.N. 12, 1970) in een nieuwe samenhang geplaatst.

"Das Verständnis der Bildungsweise führt aber nicht zur Erklärung des Eindruckes, welcher von der Erscheinung ausgeht, sondern stellt ihn an die richtige Stelle im Weltenzusammenhang, dem . Erst dieser gibt ihm eine bestimmte Bedeutung, in der auch die Beziehung zum Menschen als liegt. Verschiedene Zusammenhänge sind für eine solche Betrachtung wesentlich. Die Entwicklung der Pflanze im Jahreslauf und an verschiedenen Standorten führt uns zum Verständnis der Lebensformen und zu einem Lebensbezug mit dem Menschen.
Ein Vergleich der Pflanzenarten untereinander führt uns zu Eigentümlichkeiten, die sie gegenseitig charakterisieren und durch sie miteinander verwandt erscheinen."

Het jaarverloop is een sleutel tot inzicht in de relatie van de plant tot de mens. Heb je leren zien hoe de ontwikkeling van deze plant een variatie is op de oerplant (de idee plant waarvan het ontwikkelingsbeeld de vormende krachten en de vormbeweging van het jaarverloop synchroon spiegelt), dan kun je deze plant karakteriseren. Je herkent haar eenzijdigheden en kunt op grond hiervan aangeven wat haar speciale levensvorm is, hoe ze zich verhoudt tot het leven van de mens. Het jaarverloop is een sleutel is tot inzicht in de geneeskrachtige of voedende werking van de plant.

Terrestrische en kosmische tendensen
Voor de tentoonstelling 'Lebenszusammenhänge' (1980) werden de verschillen tussen 'massaproduktie bij de januari-juniplanten' en 'het zijn van een uitdrukkingsvol beeld bij de juni-decemberplanten' nader toegelicht:

  • In het opstijgende jaar overwegen de terrestrische tendensen,
  • in het dalende jaar de kosmische.

Bockemühl hanteert het woord kosmos vaak in zijn oorspronkelijk betekenis: kosmos betekent glans, ordening, schoonheid.
Door onderscheid te maken tussen de terrestrische en kosmische eigenschappen van de plant, krijg je meer zicht op de verschillende wordingsprocessen tijdens de ontwikkeling. Het werpt tevens een bredere blik op voedingskwaliteiten.

Bij voeding gaat het immers niet alleen om het terrestrische, de plompe massa, maar ook om het kosmische, het vormen van een bijzondere stof-compositie. Het kosmische aspect van de plant betreft het zijn van een soortspecifiek beeld van de omgeving, met name van het bedrijfsorganisme en het jaarverloop.

In deze samenhang verwees Bockemühl echter met zijn uitspraak over de "kosmische tendens in het dalende jaar" naar de Landbouwkursus. Steiner (10-6-1924) maakte een onderscheid tussen

  • aardse wortels (die zich vertakkend in de aarde uitbreiden) en
  • kosmische wortels (een hoofdwortel).

Het onderzoek met klein kruiskruid laat zien dat
ï¡ï¿¾ de vroege voorjaarsplanten meer een terrestrische tendens tonen
(meer zijwortels, meer het perifere uitdijen),
ï¡ï¿¾ de herfstplanten meer een kosmische tendens tonen
(een hoofdwortel die loodrecht omlaag de diepte in groeit, nauwelijks zijwortels).

Intermezzo over massa en vorm
De plant kan vanuit verschillende blikrichtingen worden waargenomen. Zo kun je op het niveau van de processen kijken naar enerzijds de massa- en oppervlakte producerende processen en anderzijds de vormgevende processen. Ofwel je onderscheidt aan de wording van de plant enerzijds de terrestrische tendensen en anderzijds de kosmische tendensen.
Bij de wording van de plant is er in elke ontwikkelingsfase een doordringing van 'het produceren van nieuwe aardestof' en 'het geven van een specifieke vorm aan de aardestof, de vorming van specifieke plantensubstanties'. De beide processen zijn alleen in principe van elkaar te scheiden. Waar de nieuwe plantenstof meer een algemeen plantaardig karakter heeft (kiembladeren, de eerste bladeren, woekerende bladeren) domineerde de terrestrische tendens.
Soortspecifieke plantensubstantie (bloembladeren, stamper, meeldraden, bovenste bladeren aan de hoofdspruit, de fijne vertakking, de omgevingsspecifieke bladvormen) getuigt van kosmische tendensen. Bij de plant doordringen de beide tendensen elkaar in de verschillende ontwikkelingsfasen steeds op andere wijze.
Bij het ontstaan van nieuwe plantensubstanties zijn er dus twee processen te onderscheiden:
ï¡ï¿¾ De planten produceren massa, aardse stof.
In de uitwikkelende tijd van het jaar produceren veel planten veel nieuwe aardse stof. Een opstijgende stroom toont zich.
ï¡ï¿¾ De nieuwe plantenmassa wordt beeld van het soorteigene en de omgeving. De kosmische oervormen verwerkelijken zich op een omgevingsspecifieke wijze in de aardse plantenmaterie. Er ontstaan soort- en omgevinsgspecifieke substanties.
In de inwikkelende tijd van het jaar is deze indalende stroom het meest actief.

Opstijgende en indalende stroom

Bij het onderscheid tussen 'een opstijgende stroom in de uitwikkelende tijd van het jaar' en een 'indalende stroom in de inwikkelende tijd van het jaar' gaat het om de overheersende tendens. Zo kan bijv. een vakman in de lente al aan de kiemblaadjes aflezen welke familie, welk soort en bij sommige planten zelfs welk ras zich zal gaan ontplooien*. De plant heeft ook in de eerste ontwikkeling al beeldeigenschappen, is dan ook al méér dan weegbare materie. Bij de bloemvorming ontstaat er tevens nieuwe massa (het terrestrische), hoe relatief gering deze dan ook mag zijn.

*De ene familie laat duidelijker verschillen zien dan de andere. Bij de familie van de kruisbloemigen lijken de kiemblaadjes van de verschillende soorten (radijs, koolraap, boerenkool, bloemkool) veel op elkaar. Bij courgette tonen de kiemblaadjes van bepaalde rassen opvallende verschillen.

Voedingskundige opmerkingen
Voor de voeding is het kwalitatieve verschil tussen 'de massa producerende' en de 'iets specieks vormende' processen van belang.
Voor de dagelijkse opbouw van een gezond lichaam is het niet alleen van belang dat het spijsverteringsstelsel zich uiteenzet met het terrestrische aspect van de plant (aardse stof wordt verteerd ofwel plantenstof wordt vernietigd); tevens is het kosmische aspect van belang: de zintuiglijke indrukken die je opneemt.
Steiner heeft over kosmische substantie gesproken o.a. in de Landbouwcursus (GA 327, 20-6-1924 en 12-6-1924) en in een voordrachtencyclus in Penmaenmawr (GA 227, 23-8-1923). Behalve de voedingsweg via het stofwisselingsstelsel (dat van belang is voor het activeren van de afbrekende en opbouwende processen) is er ook een voedingsweg via de zintuigen.

Hierbij is er een onderscheid te maken tussen de sensorische eigenschappen van het voedsel en de omgevingsbeelden die je opneemt. Die zintuiglijke indrukken zijn voor de mens ook een voeding.
De sensorische eigenschappen van de vrucht staan in samenhang met de wijze waarop de plant zich heeft ontwikkeld. Aan de uitdrukking van de plant tijdens haar ontwikkeling kan haar specifieke voedende eigenschappen worden afgelezen.

Zie voor een meer algemeen begrip van kosmische voeding bijv. El.N. 22, 1975 (in 7.4) en 'Ein Leitfaden zur Heilpflanzenerkenntnis' 1996, blz. 95-103 en 126.

"... das Geheimnis der besteht darin, daß alles, was wir mit den physischen Sinnen - vor allem dem Sehen - aufnehmen, etwas im Organismus anregt, was in der Seele weiterlebt (1996, blz. 95).
Die kosmische Ernährung gestaltet den Menschen also von innen, indem sie direkt über die Sinne auf seine Seele wirkt. Das befähigt ihn, seine leiblichen Organe so auszubilden, daß die Seele darin frei leben kann (1996, blz. 103).

5. Beoordeling van de werking van bloempotten op planten 1970-1972

In een experiment over de kwaliteit van bloempotten van verschillend materiaal (klei, plastic) worden het groeien en het verwelken van meerdere planten vergeleken. Omdat in vroegere experimenten de begrippen lentegroei en herfstaspect ontwikkeld zijn, kunnen de varianten vergeleken worden vanuit de vraag: hoe manifesteren de vormtendensen van het jaarverloop zich?
Door vergelijkend waar te nemen komt Bockemühl tot uitspraken zoals: "Anfangs wird der Frühlingstrieb in der Pflanze stärker geweckt, als es der Jahreszeit entspräche. Dann geht sie beschleunigt über zu einem Herbstaspekt, in welchem die vegetative Seite ... erstirbt."
Bockemühl attendeerde op de verschillende ervaringsgebieden. Met begrippen als voorjaarsgroei en herfstaspect kun je ontwikkelingen vergelijken en ordenen, zoals je bij voorwerpen hun ruimtelijke eigenschappen kunt vergelijken en rangschikken. Deze verschillen krijgen echter pas betekenis (einen Gestencharakter) "wenn auch der sie begleitende, am Jahreslauf gewonnene Erlebnisgehalt mit beachtet und vertieft wird".

Voedingskundige opmerkingen
Het bekijken van het tijdsgebeuren laat verschillen zien waarmee normaliter bij een beoordeling geen rekening wordt gehouden. Binnen de nutriëntenleer is het om het even of bijv. de aardbei in een verwarmde kas in plastic zakken snel is gegroeid of op de volle grond is geteeld, als de hoeveelheden van de zogenaamde essentiële voedingsstoffen niet relevant verschillend zijn. Evenzo doet het er niet toe of de broodbereiding acht uur duurt of dat er na acht minuten een goed gerezen brood gebakken is.
Voor de voeding is ook nog een andere opmerking van belang:

"Von Eigenschaften oder Qualitäten eines Materials an sich sprechen zu wollen, wäre aber, wie wir sahen, nicht sinnvoll, denn sie können nur in einem bestimmten Zusammenhang in Erscheinung treten und charakterisiert werden."

Het heeft geen zin te spreken over dé voedingswaarde van een plant, zo'n algemene uitspraak is een abstractie. Een courgette bijv. voedt anders op een zonnige dag dan bij regenachtig, koud weer (zie deel IV).

6. Over de klaproos en verwante soorten 1971-1973

In 1973 verschijnen er drie artikelen over de klaproos in het jaarverloop, soorten die eraan verwant zijn en het therapeutisch gebruik van klaproos en de slaapbol (El.N. 18 en 19). De verwante soorten worden vergeleken met de ontwikkeling van de klaproos in het jaarverloop. Elk soort heeft zijn eigen plaats in 'het geheel' (het jaarverloop); op grond hiervan kan deze gekarakteriseerd worden. Zo'n gebaar dient als grondslag voor inzicht in de therapeutische werking van de geneeskrachtige plant op de mens.


6.1 De ontwikkeling van klaproos

klik om te vergroten

Fig. 6-4: Ontwikkelingsstadia van een klaproos steeds een week later. Gezaaid op 29-4-1971; ontkiemd op 8-5, afgestorven begin augustus.

In het eerste artikel 'Vom Lesen im Buch der Natur am Beispiel des Klatschmohns (Papaver rhoeas L.)' wordt deze eenjarige plant met een eenvoudige, grote topbloem vanuit verschillende invalshoeken onderzocht (El.N. 18, 1973). De karakteristieke gebaren zijn op fijnzinnige wijze besproken. Bockemühl komt naar aanleiding van de wijze waarop de plant groeit, 'flackerndes Hüpfen, Verpuffen' én verwelkt tot de uitspraak: de klaproos ontwikkelt zich als een eenjarige plant 'im Gleichklang' met het jaar. "Das bedeutet, dass sie von den einzelnen Entwicklungsphasen nichts zurückbehält, sondern in Weiterdrängen der Entwicklung in die Erscheinung hinein das Durchgemachte schnell dem Vergehen überlässt."


6.2 Vormverandering en substantievorming

De ontwikkeling van de plant en de vorming van substanties
In Lebenszusammenhänge (1980) wordt in het hoofdstuk waarin de klaproos besproken wordt (16) het onderwerp van de substantievorming kort toegelicht. Het betreft de samenhang tussen het groeitempo van de plant, de houdbaarheid van de substanties en de voedende eigenschappen.
a) Bij veel snelgroeiende zaadplanten is de hele ontwikkelingscyclus zo in elkaar geschoven dat ze deze binnen een zonnejaar meerdere keren doorlopen. Deze snel vergankelijke planten vormen weinig substanties die als voeding bewaard kunnen worden.
Bij hen verhoudt de eigen ontwikkelingscyclus zich tot het jaarverloop als de snelle gang van de onderzonnige planeten tot die van de zon.
De wijze waarop de ontwikkelingscyclus doorlopen wordt, verschilt van soort tot soort. Ook bij deze planten verloopt de ontwikkeling niet in een continue lijn. De snelgroeiende zaadplanten kan bijv. relatief lang in de rozetfase zijn, snel schieten en snel afsterven.
b) De ontwikkelingscyclus van twee- en meerjarige kruiden, struiken en bomen vormen daarentegen in het algemeen meer substanties die stevig en duurzaam zijn en ten dele als voeding gebruikt kunnen worden.

Hun verhouding tot het jaarverloop toont dezelfde kwaliteiten als de bovenzonnige planeten tot de zon.
Bockemühl bespreekt hierbij thema's uit de Landbouwcursus (GA 327)* en uit Grundlegendes für eine Erweiterung der Heilkunst (GA 27). De samenhangen tussen de omgeving van de plant, haar ontwikkeling en het vormen van bepaalde substanties' (zie deel I, de opmerking van de chemicus M. von Mackensen (1995)) heeft Bockemühl in werkgroepen met chemici en farmacologen nader onderzocht. Het onderzoek door de jaren heen toont de gang 'van het geheel naar het bijzondere' (jaarverloop - plantenontwikkeling - substanties).

*De boven- en onderzonnige kwaliteiten zijn instrumenten bij het waarnemen van het wederzijdse doordringen van terrestrische en kosmische processen..

Het opzwellen van het vegetatiepunt en het uitdifferentiëren
In het Heilpflanzenbuch (1996) wordt door Bockemühl verder ingegaan op de substantievorming; zie bijv. 'Aufsteigender und Absteigender Strom der Substanzbildung' (blz. 61-65). De plastische eigenschappen van de eiwitten in de groeipunten worden geplaatst tegenover het vormen van gedifferentiëerde substanties.
Het denken in deze twee tegengestelde stromen maakt het mogelijk de levensprocessen en de substantievormende processen beter te volgen en te begrijpen. Begrippen als 'Zentralwirkung' (im Sinne von 'Wirkstoffen') en 'Aspekten' (de ontwikkeling van de plant laat het stikstofaspect, het koolstofaspect enz. zien) worden gebruikt om het waargenomene zo werkelijkheidsgetrouw mogelijk te beschrijven.

Voedingssubstanties
Voor de voeding is de genoemde tegenstelling tussen de snel groeiende planten (produktie van snel vergankelijke substanties) en de langzaam groeiende planten (vorming van specifieke stofcomposities die beter houdbaar zijn) interessant. Voor het uitdifferentiëren van de gestalte is tijd nodig; evenzo voor het vormen van soort- en omgevingsspecieke substanties in het te oogsten plantendeel.
Mensen zijn gewend de snel groeiende planten rauw te eten (radijsje, sla) en de langzaam groeiende planten te bereiden (granen, peulvruchten, rode bieten, boerenkool). Plantendelen die té sterk gevormd zijn, bijv. de houtvezels in wortels, zijn niet te verteren. Bij voedingsplanten gaat het om het samenspel tussen verrichten van levensactiviteiten in de sapstromen (water-kwaliteit) en het verstarren in soortspecifieke stofcomposities (koolstof-kwaliteit).

Moderne gewassen - traditionele voedingsplanten
Vanuit bovengenoemde invalshoek is het interessant dat veel van de moderne gewassen, zoals tomaat, courgette, komkommer, champignons relatief snel groeien. Dit valt des te meer op als je hen vergelijkt met de planten die tegenwoordig relatief minder worden gegeten, zoals de granen, de koolgewassen, knolselderij en schorsenering.

  • Bij de komkommer en de courgette vinden de verschillende vormende processen gelijktijdig plaats. Deze voedingsplanten zijn 'zijbloeiers': aan de top van de hoofdspruit worden nieuwe bladeren en bloemen aangelegd, terwijl de bloemen in de lager gelegen bladoksels opengaan en er vruchtvorming plaatsvindt. Bij deze voedingsplanten is de groei van de hoofdspruit dus nog niet afgesloten, wanneer er bloei en vruchtvorming plaats vindt. Bij de tomaat groeien ook de zijstengels nog verder door.
  • De bovengenoemde traditionele voedingsgewassen, die langzaam groeien, zijn daarentegen 'topbloeiers': de bloemen bevinden zich aan de top van de hoofd- en de zijtakken. Tijdens of kort na de bloei houdt de lengtegroei van de hoofd- en de zijtakken op. Het vegetatieve groeien komt tot stilstand. (Deze indeling komt van Hans Vereijken).

Ook de relatief snel groeiende sla en andijvie zijn topbloeiers. Er zijn dus allerlei variaties! Deze planten worden al geoogst voordat de bloei-impulszich manifesteert.
Voor inzicht in de relaties tussen de ontstaanswijze van de plant en haar substanties zijn ook de verschillen binnen een familie interessant. De familie waartoe de kool behoort, kent bijv. snelgroeiende wilde soorten, het radijsje, die ook een snelle groeier is, en de rode kool, spitskool, spruitjes enz., voedingsplanten die lang vegetatief blijven groeien.

Substantievorming en het jaarverloop
Bockemühl wijst op de samenhang tussen het snelle verwelken van de klaproos en haar ontwikkeling die één is met de loop van de zon. Terwijl haar ontwikkeling voortschrijdt, wordt niet bewaard wat in een vorige ontwikkelingsfase is gevormd.
Bockemühl heeft voorafgaand aan deze opmerking beschreven dat de klaproos vanwege zijn aard goed gedijt op een graanakker waarbij de planten niet te dicht op elkaar staan. Klaproos en granen doorlopen min of meer tegelijk de rozetvorming en het schieten. Ook de granen ontwikkelen zich in samenklank met het jaarverloop. Hun bladeren verwelken eveneens nadat ze uitgegroeid zijn.
Kijk je naar de bloem dan zijn echter de 'verpuffende' klaproos en de zich verhardende aar in velerlei opzichten tegengesteld aan elkaar. De klaproos 'veruiterlijkt', terwijl het graan 'verinnerlijkt'.


6.3 De ontwikkeling van klaproos in het jaarverloop

Het jaarverloop als sleutel tot het lezen in het plantenrijk
Het tweede artikel 'Entwicklungsweisen des Klatschmohns im Jahreslauf als Hilfen zum Verständnis verwandter Arten' (El.N. 19, 1973) begint met een methodische inleiding over 'het jaarverloop als sleutel tot het lezen in het plantenrijk'.
Bockemühl benoemt nu ook de problemen die optreden, als je probeert bewuster met het jaarverloop te leven: de wisselende weersomstandigheden, je leeft te sterk in wat er binnen een dag verandert, een overblik blijft te globaal. Elk seizoen heeft een dubbelkarakter: 's winters trekt de atmosfeer zich samen en opent zich tegelijk voor de kosmos; wanneer de zonnekracht toeneemt, dijt de atmosfeer zich weer uit en sluit zich daarbij ook af.

Elke plantensoort vertelt op twee manieren iets over het jaarverloop:
1. Elke plant bewaart in haar eigen ritme van groeien en verwelken iets van het jaarverloop. In het kiemen, het groenen, het bloeien en het vruchten weerspiegelen zich als het ware de jaargetijden.
2. Elke plant heeft haar eigen wijze hoe ze met de actuele seizoenswerkingen omgaat. Elk soort heeft haar wijze waarop deze fases verkort of verlengd doorlopen worden, sterker of zwakker benadrukt zijn. Bovendien zijn bij het ene soort bepaalde fases ineengeschoven (LB: de courgette heeft tegelijk het uitbreidende groeien, het bloeien en de vruchtvorming) bij andere komen de fases meer uit elkaar te liggen (LB: bij de valeriaan is er een lange tijd tussen de rozetvorming en het schieten).
Een voorbeeld: de daslook, een ui-achtige, sterk geurende voorjaarsplant, heeft al in het uitwikkelende deel van het jaar . Het verwelken van de bladeren verloopt heel snel.
Door omstandigheden zoals de zaaitijd, de standplaats, het weer, kan de cyclus van een bepaalde plant zich verschuiven en zo komen tot een eigen samenklang met de werkingen van het actuele zonnejaar.

In latere jaren zal Bockemühl de relatie van de plant tot het jaarverloop compacter verwoorden (El.N. 22, 1975):

Een bewust meebeleven van de dag- en jaarritmes helpt de bijzondere ontwikkeling van een plant op drievoudige wijze te begrijpen:
1. De plant draagt in zich een soort herinnering van een geïndividualiseerd jaarverloop, met het kiemen, het inwortelen, het vormen van groen blad, het bloeien en het vruchten op een specifieke manier.
2. De actueel werkende omgevingskrachten wekken en veranderen deze herinnering.
3. De ontwikkeling van de plant is een levend, beeldvormend proces, waarin het verleden (LB: zie punt 1) en het heden (LB: zie punt 2) zich doordringen.

klik om te vergroten


Fig. 6-2: Negen bloeiende klaproosplanten die tussen begin april en eind oktober zijn uitgezaaid.
Een voorbeeld: Plant 3 is op 29 mei gezaaid en begon op 28 juli te bloeien.
Plant 6 is in het groei-jaar niet tot bloei gekomen en stierf af.
De planten 7, 8 en 9 zijn twee keer afgebeeld, zowel hoe ze als rozet de winter ingingen en hoe ze er bij de bloei in het volgende voorjaar eruitzagen.

klik om te vergroten


Fig. 6-3: De bladvormenreeksen van de planten 1-8 (zie fig. 4-5).
De bladvormenreeks van plant 9 lijkt op die van plant 1.


Over het jaarverloopexperiment bij klaproos
Vanaf april tot september 1971 werden wekelijks zes wortelvaten (per vat groeide een plant) klaargemaakt en op het veld vijf zaadjes ingezaaid (drie dagen voor nieuwe maan, eerste kwartier, volle maan en laatste kwartier).
Van september 1971 tot maart 1972 gebeurde dit eens per maand (drie dagen voor volle maan).
In totaal waren 130 wortelvatplanten in gebruik. Op het veld groeiden meer dan 100 planten. De ontwikkeling werd gevolg tot het begin van het bloeien (wekelijks een foto, de uitgegroeide bladeren werden gedroogd en geordend tot bladvormenreeksen, tekening van de wortels, regelmatig tellen van de bloemknoppen en registratie van de dag waarop de eerste bloem zich opende). De bloeiende planten werden met elkaar vergeleken.
De ontwikkelingstijd tussen het kiemen en de eerste bloei is sterk afhankelijk van het jaarverloop. Een plant die tussen begin april en begin juni later uitgezaaid is, heeft minder tijd nodig om tot bloei te komen. Een plant die tussen eind juni en augustus later gezaaid is, heeft daarentegen meer tijd nodig. De planten die in september, oktober en november uitgezaaid zijn, hebben nog veel meer tijd nodig.
In tegenstelling tot bij klein kruiskruid tonen de bladvormenreeksen van de klaproos enorme verschillen. Meerdere tendensen tonen zich.

ï¡ï¿¾ De periode tussen begin april en eind mei.
Plant 1 gezaaid 8-4, in bloei 2-7.
Plant 2: 29-4 / 13-7.
Plant 3: 29-5 / 28-7.
De plant die later was gezaaid, begon eerder te schieten en had fijnere bovenste bladeren. De rozetgroei was geringer. Hiermee in samenhang veranderde de bladvormenreeks. Het stelen en het spreiden werd steeds vroeger minder. Het geleden en het spitsen zijn vroeger en intensiever werkzaam.

ï¡ï¿¾ Kort na de zomerzonnewende.
Plant 4: 28-6 / 5-9.
Plant 5: 12-7 / 4-10.
De planten 4 en 5 laten een andere tendens zien. Bij de later gezaaide plant duurde het steeds langer tot de plant tot bloei kwam.
Er ontstonden meer vertakkingen. Er is minder stengelstrekking, de bloeiende plant is lager.
De bladeren werden groter, vooral de bovenste bladeren. Het stelen was verminderd. Het spreiden was versterkt. Bij de plant die op 12 juli gezaaid is, heeft het spreiden een buitengewone intensiteit. *In de bladmetamorfosereeks is de sprong van het bovenste stengelblad naar het kelkblad zeer groot.
Het bovenste deel van de wortel (tot 30 cm) verdikt zich; de zijwortels in dit gebied zijn opvallend meer horizontaal.
* Dit fenomeen laat de courgette ook zien. De planten die in juli en augustus uitgezaaid zijn, hebben zeer brede bladeren. Zie "Courgette".

ï¡ï¿¾ Laatzomer.
Plant 6, gezaaid op 27-7, afgebeeld op 28-9.
Plant 7, gezaaid op 2-9-1971, is twee keer afgebeeld: voor de winter (7a) op 8-11-1971, en als een schrale, bloeiende plant (7b) op 6-6-1972.
Bij de bladvormenreeks van de planten 6-9 staat een pijl. Deze geeft ongeveer aan welke bladeren begin december uitgegroeid waren.
De planten die na 12-7 gezaaid waren (de planten 6-9) kwamen in dit groeiseizoen niet meer tot bloei. In december stopt de groei.
De meeste planten uit de zaaiperiode 27-7 tot 22-9 vormden een krachtige rozet met dikke verticaal omlaag groeiende wortels. Vervolgens stierven ze af. Deze klaprozen kunnen het ademende ritme van tweejarige planten niet meevoltrekken. In het voorjaar lukt het de plant niet om (na een koude winter) de opgeslagen stoffen weer in een sapstroom in beweging te krijgen. De eenmaal begonnen ontwikkeling kan op een later tijdstip niet in een andere richting overgeleid worden.
Slechts enkele laat-zomerplanten die in de winter nog niet ver ontwikkelt waren, konden in het volgende voorjaar zwak doorgroeien en kwamen dan tot bloei (plant 7).
Ook de planten 6 en 7 hebben een opvallend sterk spreiden. Bij de latere bladeren is er meer geleding. Met het afnemen van de spreidende vormbeweging, worden de bladlobben wat spitser. Opvallend is dat het stelen en het spreiden afzonderlijke vormtendensen blijven. Dit staat in tegenstelling tot wat eigen is aan de hogere stengelbladeren: de vormtendensen stelen en spreiden schuiven in elkaar en versmelten. ("Während der Ausdehnung werden Stielen und Spreiten vorwiegend gesondert, in der Zusammenziehungsphase dagegen miteinander verschmelzen" (El.N. 4, 1966).
Het kleiner worden van de herfstbladeren en het spitsen zijn samentrekkende tendensen. In deze zin is er sprake van een meegaan met het jaarverloop tot het einde van de herfst. Maar deze samentrekking voerde echter niet tot de typische stengelbladeren, noch tot bloei.
Bij plant 7 valt het stelen sterk op (zowel in de late herfst als het vroege voorjaar).

ï¡ï¿¾ De herfstuitzaai.
Plant 8: 1-10-1971 / 8-6-1972.
Plant 9: 30-10-1971 / 15-6-1972.
De planten die nog later in het jaar gezaaid waren, en die eind november alleen nog maar een hoofdwortel en een klein rozet hadden gevormd (zie de planten 8a en 9a) konden wél de winter overleven. Hun voorjaarsbladeren breiden zich normaal uit. De bladvormenreeks van de plant die op 30-10 gezaaid was, leek op die van de 8 april plant. Ze tonen de normale ontwikkeling van het uitbreiden (het stelen, het spreiden) en het samentrekken (het geleden en het spitsen). Ze bloeien begin juni.

ï¡ï¿¾ De laatherfst en winteruitzaai.
De planten die in de wintermaanden (de periode tussen november 1971 en eind februari 1972) gezaaid zijn, kiemen pas in maart. Ze vormen een krachtige rozet en komen midden juni ongeveer gelijk tot bloei. (Hiervan waren geen afbeeldingen.)

Overzicht en vergelijking met klein kruiskruid
Bij klein kruiskruid (hoofdstuk 4) werden de planten na acht weken groei onderling vergeleken, bij de klaproos werden de bloeiende planten met elkaar vergeleken.

ï¡ï¿¾ Overeenkomsten
Ook bij de klaproos is er, zoals bij klein kruiskruid, in het uitwikkelende jaar de tendens tot stengelgroei en bloei en in de herfst de tendens tot rozetvorming en de groei van de hoofdwortel.
Voor beide geldt: de voorjaarsplanten die later in het jaar gezaaid werden, hebben tot de bloei een kortere ontwikkelingstijd. De vegetatieve ontwikkeling werd steeds abrupter doorlopen. Je zou kunnen zeggen: het 'op het juiste moment' bloeien 'organiseert' hoe snel de bladvormenreeks wordt doorlopen (het toekomstige werkt in op het heden).*

*Ook hier zijn er twee tegengestelde stromen te onderscheiden. De ontwikkeling van de plant toont twee tijdsstromen.
Behalve de voortschrijdende tijd (vanuit het verleden naar het heden) is er ook een tijdsstroom vanuit de toekomst naar het heden.
Het bloeien 'op het juiste moment' organiseert het snel doorlopen van de rozetfase.
Zie ook El.N. 4, 1966 waarin Bockemühl de ontwikkeling van de afzonderlijke bladeren vergelijkt met de gehele bladvormenreeks (op verschillende momenten tijdens de ontwikkeling). Dat onderzoek is te vinden in veel artikelen, boeken en wordt door veel auteurs geciteerd.


ï¡ï¿¾ Verschillen
Klein kruiskruid kan in elk seizoen kiemen, groeien en bloeien. Bij deze plant overwegen de tendensen van het opstijgende jaar: het snelle opgroeien, het groen worden.
Ook tijdens het ontplooien van de talrijke bloemknopjes zet het vegetatieve groeien zich in de zijtakken verder voort. Bij deze snelgroeiende plant zijn de overgangen tussen de afzonderlijke ontwikkelingsfasen niet zo duidelijk.
Bij de klaproos is de voorbereiding van de bloeiimpuls sterker verbonden met het uitwikkelende jaar. Bovendien heeft klaproos wel een duidelijke rozetfase in het dalende jaar en in het vroeg voorjaar. "Das Bild des Jahreslaufes erscheint durch Papaver Rhoeas wesentlich kontrastreicher als bei Senecio vulgaris."
De klaprozen die eind juli, een maand na de zomerzonnewende, gezaaid zijn, komen dit groeiseizoen niet eens meer tot bloei. Ze hadden voor de winter een krachtige rozet, maar konden niet als een tweejarige plant na de winter de eenmaal ingeslagen ontwikkelingsrichting ombuigen. Wat in de wortels was opgeslagen, werd in het nieuwe jaar nauwelijks gebruikt om een nieuwe groei op gang te zetten. De vegetatief sterke klaproos (plant 6) kon niet de overgang maken van de vegetatieve naar de generatieve fase.
Klaproos is, ondanks haar langere ontwikkelingstijd, een eenjarige plant die het ademende ritme van tweejarige planten niet kan meemaken.

Klein kruiskruid toont door het jaar heen als gehele plant duidelijker verschillen dan klaproos. Daarentegen toont de klaproos veel grotere verschillen tussen de bladvormenreeksen. Klaproos ligt meer vast in het jaarverloop (mededeling Vereyken, 1998).
Plantensoorten kunnen dus heel verschillend reageren op het jaarverloop.


6.4 Verwante soorten

Klaproos kent meerdere verwante soorten. Nu er een overzicht van de ontwikkeling van klaproos door het jaar heen bestaat, kan men de verwante soorten hiermee vergelijken en deze vanuit het jaarverloop typeren. Het artikel "Sal, Merkur und Sulfur als Mittler zwischen Pflanze und Mensch. Klatschmohn und Schlafmohn im Hinblick auf ihre therapeutische Anwendung" staat eveneens in El.N. 19, 1973.
Bij deze verwante soorten blijken details belangrijke onderscheidingstekens te zijn. In deze literatuurstudie beperkt de schrijfster (LB) zich tot de duidelijkste verschillen.
ï¡ï¿¾ De ruige klaproos met zeer fijn gelede, weinig uitgespreide bladeren toont overeenkomsten met de klaproos die eind mei is gezaaid.
ï¡ï¿¾ De alpenklaproos en de aziatische klaproos tonen overeenkomsten met de klaproos die twaalf juli is gezaaid.
ï¡ï¿¾ Bij de slaapbol en de stinkende gouwe doordringen verschillende seizoenstendensen elkaar.

De alchemistische
Bockemühl hanteert de alchemistische als een begrippenkader om de verbinding tussen de plant en de het menselijke organisme te kunnen beschrijven. Bockemühls' formulering van het zout-principe is met het denken direct toegankelijk, die van het kwik- en het zwavel-principe vereisen meer innerlijke activiteit. Onderstaande tekst geeft de zoekrichting aan.
ï¡ï¿¾ De wortelprocessen zijn een beeld voor het voorstellende denken, het denken over de zintuiglijke waarnemingen (het zout-principe).
ï¡ï¿¾ De metamorfoses van de plant zijn een beeld voor het bewust volgen van verschijningsveranderingen, die door het voelen begeleid worden. Bij de plant verandert de ene verschijning in de andere; kijkt de mens elke dag bijv. naar een landschap, dan ontwikkelt zich in hem iets dat de gevoelens doet veranderen. Bij de plant zijn de veranderingen van de verschijningsvormen door de idee plant geleid. In dat wat als gevoelens komt en gaat blijkt een richting te liggen (het kwik-principe).
ï¡ï¿¾ De uitdrukking van het plantebeeld toont overeenkomsten met een sterk van voelen en willen doordrongen idee die leidend motief is voor het handelen (het zwavel-principe).

De tria principia maken ons opmerkzaam op de drie verschillende gebieden waarop de ziel actief is:

  • het voorstellende denken van het verstand (zout),
  • het innerlijk meebeleven van veranderingen (kwik) en
  • het ervaren van de essentie en het vandaaruit handelen (zwavel).

Bockemühl hanteerde deze drie principiën bij het waarnemen van de klaproos en de slaapbol en kwam zo op karakteristieke verschillen. In later onderzoek werkt hij de driegeleding van het menselijke organisme verder uit (1996) en onderzoekt hij ook andere wegen (in 1998: Galenus' leer van de vier sappen als instrument voor inzicht in de geneeskrachtige planten, thema van een studiebijeenkomst voor farmaceuten en artsen).

De tria principia is een sleutel tot inzicht in de specifieke voedende werkzaamheid van wortels, bladeren en vruchten. Steiner werkte hiermee therapeutisch bij heilpedagogische kinderen. Extra plantewortels voor 'zwavelrijke' kinderen en veel fruit voor de 'zwavelarme' kinderen (Steiner, GA 317, 30-6-1924).

7. Voedingskundig onderzoek aan radijsjes 1972-1975


7.1. Inleiding

In 1972 begon een tweejarig experiment met een voedingsplant, de snel groeiende radijs. Wekelijks werd er gezaaid in wortelvaten en in de geschikte tijd van het jaar (van begin maart tot half september) ook op de volle grond. Het artikel 'Ein Weg zur Charakterisierung von Nahrungspflanzen und zur Qualitätsbeurteilung von Nahrungspflanzen am Beispiel des Radieschens' (El.N. 22, 1975) heeft als inhoud: een uitvoerige methodische inleiding, het ontwikkelingsgebaar van het radijsje, de ontwikkeling van de radijs in het jaarverloop, overzicht van de onderzoeksresultaten en bespreking, over de kwaliteitsbeoordeling, over de verhouding tussen plantenprocessen en menselijke voeding.
De studie van de radijs in het jaarverloop heeft nog een vervolg gekregen met een onderzoek waarbij de hoeveelheid licht werd gevariëerd. Aan het experiment uit 1975 kon de verhouding plant-mens nader ervaren worden. In 'Lichtwirksamkeit im Bild der Pflanzenentwicklung' (El.N. 25, 1976) wordt dit nader uitgewerkt. Dit vervolgartikel zal in 7.5 alleen summier besproken worden, omdat het over het jaarverloop weinig nieuws bericht.


7.2. Methodische opmerkingen over kwaliteistbeoordeling

"Jede Qualitätsbeurteilung hängt davon ab, was und wieviel eine einzelne Erscheinung in einem bestimmten ganzheitlichen Zusammenhang bedeutet. Auf dem herkömmlichen Wege der Wissenschaft ist es möglich, an schon vorhandenen Massstäben oder Leitbildern zu messen. Wenn es aber darum geht, neue, naturgemässe Massstäbe und Leitbilder selbst zu finden, so fehlt zunächst ein klar erkanntes Ziel. Neue Leitbilder können zwar ausgedacht werden. Es besteht aber keine Garantie dafür, dass sie sich sinnvol in den Naturzusammenhang einfügen. Eine Möglichkeit, ganzheitliche Zusammenhänge an der Natur abzulesen wird daher von jedem, der sich mit Qualitätsfragen befasst, irgendwie gesucht. Der hier aus der Goetheschen Erkenntnisart und der Geisteswissenschaft Rudolf Steiner heraus gezeigte Weg möchte diesem Suchen entgegenkommen und dafür methodische Gesichtspunkte liefern. ..."

Wat verwacht ik van een radijsje? Het ideale radijsje zou er ongeveer zo kunnen uitzien: Een meestal rood, vruchtachtig bolletje met een staartje. Het moet stevig, knapperig en ook mals zijn, niet waterig en niet vezelig. De smaak is aan de scherpe kant, maar niet zo indringend als rammenas.
Dit beeld is ontstaan uit gewoonte en ervaring. Of je het radijsje wel of niet waardeert, staat er los van.
Alleen afzonderlijke eigenschappen worden genoemd, onbewust worden deze betrokken op dat 'ding', het radijsje voor ons. Maar radijsje is meer dan dat ding. Haar uiterlijke verschijningsvorm kan alleen beoordeeld worden als je veel ervaringen hebt opgedaan aan haar vormen, haar wijzen van ontwikkeling en hoe deze plant de omgevingsinvloeden tot uitdrukking brengt (verschijningssamenhang, veranderingssamenhang en levenssamenhang). Haar verschijningsvorm kan uit het gehele proces begrepen worden.
Twee radijsjes die veel op elkaar gelijken, kunnen kwalitatief heel verschillend zijn. Het ene radijsje is bijv. geoogst kort voor het moment dat de plant zou gaan schieten. Het heeft een andere kwaliteit dan het radijsje dat nog verder aan het opzwellen is. Zogenaamde onbeduidende eigenschappen van de bladeren en de wortelen, kunnen belangrijke aanwijzingen bieden over de kwaliteit van het radijsje.
De jaarverloopexperimenten dienen als een 'Erfahrungshintergrund'. Voor het beoordelen van de kwaliteit van het geoogste produkt heb je dat nodig. Afzonderlijke uiterlijke kenmerken zijn geen doorslaggevend criteria. Het gezond eruitzien van een plant biedt op zich te weinig houvast voor een kwaliteitsbeoordeling. Het gaat om de vraag of in de plant een evenwicht van krachten bereikt kon worden en hoe dat is geschied. Je moet de ontstaanswijze nauwgezet gevolgd hebben om te kunnen beoordelen of de plant uit eigen kracht zich gezond had ontwikkeld.


7.3 De ontwikkeling van het radijsje

klik om te vergroten

Fig. 7-1: De ontwikkeling van radijsje, gezaaid op 16 maart 1973.
Data: 30-3, 20-4, 10-5, 24-5 en 13-6.

Van het radijsje eten we het opgezwollen knolletje, het stengeldeel tussen de wortel en de kiemblaadjes (een hypocotiel). Het opzwellen van het knolletje vindt plaats als de hoofdwortel niet meer zo sterkt loodrecht omlaag groeit en er vele zijwortels groeien. De bladeren die in deze tijd gevormd worden, zijn de grootste en nog rond (stelen en spreiden); ze tonen ook geleding. De zijwortels nemen in aantal en in activiteit toe. Wordt het radijsje niet geoogst, dan volgt de stengelstrekking (de gelede, nog ronde bladeren worden naar boven toe kleiner) en vervolgens de vertakking (de blaadjes worden eenvoudiger, spitser). De hoofdwortel verdikt zich van boven af en er komen veel nieuwe zijwortels. De knol verhout; de weer omlaag groeiende wortels kunnen zich verdikken. Radijs, een kruisbloemige, bloeit met witte of roze bloempjes. Ze vormt droge vruchten met ronde zaadjes.
De knol kan gezien worden als een tijdelijke stuwing in het onderste deel van de stengel (beneden het bladgebied). Wanneer het knolletje niet geoogst wordt, heeft de plant wél een lengtegroei en gaat ze bloeien.
Aan de ontwikkeling zijn te onderscheiden de stofproducerende processen en de tegengestelde processen: de begrenzende processen die de vormen verfijnen.
ï¡ï¿¾ Tijdens de knolvorming worden in alle organen stoffen geproduceerd. Er ontstaan de ronde, uitbreidende bladeren, de fijn vertakkende wortels én het onderste deel van de stengel zwelt op. Het opzwellen kan gezien worden als een overmaat aan stofproductie.
ï¡ï¿¾ De begrenzende processen verfijnen de vormen; in de bloemvorming zijn ze het duidelijkst werkzaam. De scherpe smaak van het radijsje kan echter ook gezien worden als een uitingsvorm van de bloemvormende krachten. Het karakter van de radijs uit zich in de smaak van het opgezwollen knolletje.
Het samenspel van deze tegengestelde krachten bij de vorming van het knolletje wordt als volgt beschreven: "Sie (LB: die Blütenbildekräfte) wirken dort (LB: in het knolletje) in dem zeitweise verschobenen Kräfteverhältnis im Zusammenhang mit den nach oben drängenden, überschiessenden Wachstumskräften und werden von ihnen überwältigt."


7.4.Het jaarverloopexperiment bij radijs

Er werd wekelijks in wortelvaten gezaaid*: de kas-wortelvaten van september 1972 tot december 1973; de tuin-wortelvaten op dezelfde data, met uitzondering van de periode van 19-10-1972 tot 8-3-1973 en na 10-9-1973. De planten in de tuinwortelvaten hadden meer licht dan de planten in de kas.
Het artikel biedt relatief weinig beeldmateriaal.

* Het zaaien vond plaats 'im Einklang mit den Mondphasen'.
'Im Einklang mit den Mondphasen' is niet nader toegelicht. Uit astronomische gegevens blijkt dat er hetzelfde zaaischema was als bij de klaproos: drie dagen voor nieuwe maan, eerste kwartier, volle maan en laatste kwartier.
(Op de waarnemingsresultaten wordt niet nader ingegaan. Zie eindnoot 1.)

klik om te vergroten

Fig. 7-2: De bladvormenreeksen van de kasplanten die gezaaid zijn in februari, april, juni, augustus, oktober en december.
Het Romeinse getal links is de zaaimaand, rechts de bloeimaand.
De pijl markeert de wintertijd.
De grootste bladeren zijn gevormd tijdens het opzwellen van het knolletje.

De kasplanten
ï¡ï¿¾ De kasplant die in de periode januari-april later is gezaaid, groeit sneller. De wortels groeien sneller de diepte in. De vorming van de zijwortels begint steeds vroeger. De grootste bladeren (ronde vorm, vlakke stand) staan meer naar voren in de bladvormenreeks; de knolletjes zwellen vroeger op. Het bloeien van de januariplanten begint eind mei; de aprilplanten bloeien al begin juni.
Begin juli is bij alle januari-aprilplanten de knolvorming afgerond. Tijdens het schieten groeien de wortels meer de diepte in. De hoofdwortel en enkele omlaag groeiende zijwortels verdikken zich. Er ontstaan veel nieuwe worteltjes.
ï¡ï¿¾ De kasplanten die kort voor de zomerzonnewende zijn uitgezaaid (in mei-juni) hebben al zeer vroeg een verdikte hoofdwortel; ook de zeer snel groeiende zijwortels verdikken zich. De groei van het knolletje neemt daarentegen af. Het schieten en het bloeien vindt vertraagt plaats. De bladvormenreeks wordt onregelmatiger. Aan het golvend verloop van de bladvormenreeks van bijv. de plant die in juni is gezaaid, is af te lezen dat de bloeiimpuls eerst leek door te zetten, maar dat er dan weer grotere bladeren werden gevormd (de bloeiimpuls wordt overwonnen door het opwellende groeien, het vegetatieve uitbreiden).

klik om te vergroten


Fig. 7-3: De ontwikkeling van radijsje, gezaaid op 2 juli 1973.
Data: 16-8, 6-9, 11-10, 20-12, 14-3-1974 en 8-4-1974.

ï¡ï¿¾ De planten die vanaf juni gezaaid waren, bleven laag bij de grond. De hoofdwortel groeit sneller en er komen al eerder veel zijwortels dan bij de planten die in het voorjaar zijn gezaaid. Het herfstknolletje wordt relatief langer, blijft smaller. Gelijktijdig verdikt de hoofdwortel zich naar beneden toe, zoals een rammenas. De grootste bladeren ontstaan bij het uitgroeien van het herfstknolletje. In de winter verhout het gevormde. Er is een zeer trage groei van de wortel en de stengel. Deze planten zouden pas in het volgende jaar tot bloei komen. Hoe krachtiger de ontwikkeling in het najaar, hoe zwakker de nieuwe groei in de lente. Een verdere ontwikkeling is alleen mogelijk aan de groeipunten. Vanaf eind maart (het tweede jaar) beginnen de zijwortels nieuw te groeien. De overgang tot het schieten verloop zeer gelijdelijk. Het schieten begint pas zeer laat, op onregelmatige data. Ook de nieuwe bladeren van de planten die overwinterd hebben, zijn opvallend rond van boven. Alsof de krachten die leiden tot het bloeien, tot het einde toe niet goed opgewassen zijn tegen de opzwellende krachten.
ï¡ï¿¾ De kasplanten die vanaf augustus zijn gezaaid, groeien als geheel zwakker. Ook de groei van de knol, de verdikking van de wortel en de groei van de zijwortels nemen af.
ï¡ï¿¾ De kasplanten die vanaf oktober zijn gezaaid, ontwikkelen in het begin van het nieuwe uitwikkelende jaar grote, ronde bladeren en gelijktijdig hiermee mooie, rond gevormde knolletjes. Het schieten vond in mei plaats. In de lange tussentijd groeiden sommige planten zeer intensief. Vaak ontstonden er zelfs, nadat het bovengrondse knolletje zich had gevormd en al wat stevigheid had gekregen, meerdere ondergrondse knolletjes (aan de hoofdwortel) of soms ook, als het knolletje al oud geworden was, boven het knolletje.

De tuinplanten
ï¡ï¿¾ De wortels van de tuinplanten die in maart-april gezaaid waren, groeiden in het begin langzamer dan de kasplanten. De bovengrondse groei was aanzienlijk trager. De bladeren bleven kleiner; ze waren meer gedrongen. In mei-juni nam de groei van de hoofdwortel en de zijwortels sterk toe; vanaf begin juni werden de loodrecht omlaag groeiende wortels dikker. Bij de later gezaaide plant werd de begingroei van de hoofdwortel steeds sterker; het aantal wortels dat later in de diepte groeide, nam af. De mei-tuinplanten hadden een krachtige, onvertakte hoofdwortel.
De tuinknollen waren in het algemeen breder en ronder; de kasknollen gestrekter.
De knollen van de maart-tuinplanten waren later oogstrijp dan die van de kasplanten; het knolletjes was iets kleiner.
Vanaf mei/juni waren de knolletjes ongeveer in dezelfde tijd rijp als die van de kasplanten. De grootte was ongeveer hetzelfde; de vorm was anders.
Alle tuinplanten die in het uitwikkelende jaar gezaaid waren, bloeiden in juni. Pas vanaf de planten die eind mei gezaaid waren, is er sprake van een vertraagd schieten. Zelfs enkele juni-planten kwamen laat in het jaar nog tot bloei (dit was bij de kasplanten niet het geval!).
ï¡ï¿¾ De tuinplanten die in het inwikkelende jaar waren gezaaid, bleven zeer gedrongen. Ze hadden van juli tot september een versterkte wortelgroei (talrijke, loodrecht omlaaggroeiende zijwortelen die zich verdikken). Al deze planten kwamen niet meer tot bloei en overleefden de winter niet.
De planten die in juni-augustus waren gezaaid hadden grotere knollen dan de april-meiplanten verder toe; de oogsttijd was vervroegd. (Dit was een tegenstelling met de kasplanten: hun maximale grootte nam af; bij hen duurde de oogstrijpheid langer.)
De tuinplanten hebben ondergronds een sterkere groei dan de kasplanten. In de zomer verdikken de loodrecht omlaag groeiende wortels zich meer. Bovengronds zijn ze veel gedrongener, sterker gevormd.

Overzicht
Het opzwellen vindt plaats net boven de aarde; het gebeurt juist tijdens de fase van maximale vegetatieve ontplooiing, net nog voor de begrenzende processen die de vormen verfijnen de overhand gaan krijgen. Er is maar weinig tijd tussen maximale opzwelling en het begin van de strekking, waarbij ook de wortelgroei sterk toeneemt. Hieruit spreekt dat het radijsje als voedingsplant op een nogal uitgesproken, voorjaarsachtige wijze in het jaarverloop staat.
Bij de vorming van het knolletje domineren de naar boven gerichte, opzwellende groeikrachten, die echter voor een korte periode gestuwd zijn. De bloemvormende krachten zijn vervroegd werkzaam (scherpe smaak); ze worden echter (nog) overheerst door het zwellende groeien. Deze specifieke ontwikkelingswijze heeft de sterkste relatie tot het uitwikkelende jaar; in de tijd voor het bloeien kan het zich het zuiverst doen gelden.
Voor de zwelfase van de knol zijn april en mei de gunstigste maanden; in deze tijd heeft het jaarverloop immers een overeenkomstige impuls.
Vanaf juni is het zwellende groeien niet meer alleen naar boven, in de knol, maar is er ook stuwing naar beneden, in het wortelgebied. (De loodrecht omlaag groeiende wortels werden dikker.) Het radijsje dat in de zomer gezaaid was, ontwikkelde zich in de richting van de rammenas.


7.5 Over de verhouding tussen plantenproces en menselijke voeding

Bockemühl begint met een methodische beschouwing. Voor een beoordeling van de kwaliteit van een voedingsplant gaat het ook om de vraag naar haar verhouding tot het menselijke organisme en zijn voedingsprocessen.

"Wir haben bis hierher vom Aspekt der Elemente aus die Pflanze als Erdenbildung, der wir gegenübertreten, betrachtet und vom Aspekt des Ätherischen, inwiefern sie Ausdruck von Umkreiswirkungen ist. Diese Betrachtungsart schliesst den Menschen mit ein. Indem jede der geschilderten
Betrachtungsweisen in einem bestimmten Verhältnis des Menschen zur betrachteten Pflanze besteht, muss nicht noch eine weitere Beziehung aufgesucht, sondern nur diesen Vorgang selbst ins Auge gefasst werden. Wir stehen selbst in dem Naturzusammenhang darinnen, welche wir betrachten. Wir bemerken, wie das, was in der Natur äussere Bilder sind, eng zusammenhängt mit Seelenfähigkeiten, die in uns durch diese Bilder geweckt werden. ...
Durch die Sinne nehmen wir so Kräfte aus dem Umkreis auf. Rudolf Steiner (1924) spricht im Landwirtschaftlichen Kursus von einer kosmischen Ernährung, welche durch die Sinnen aufgenommen wird und zur irdischen Ernährung hinzukommen muss. Wir können selbst bemerken, wie durch die Bilder, die uns die Sinne vermitteln, unser Bewusstsein Nahrung erhält.In der Auseinandersetzung damit werden unsere bewussten Seelenfähigkeiten entwickelt. Aber nicht nur durch das wache Bewusstsein werden innere Kräfte wachgerufen. Man denke nur daran, wie schon beim Anblick einer Speise in uns die Säfte in spezifischer Weise auf das Essen vorbereiten. Wir müssen damit rechnen, dass sich, von uns unbemerkt, bis tief in den Stoffwechsel hinein solche Vorgänge fortsetzen. Sonst könnte auch eine spezifische Aufnahme und Auseinandersetzung mit der uns gegenständlichen gebotenen, also irdischen Nahrung gar nicht stattfinden.
Die Auseinandersetzung mit den kosmischen Substanzen lässt sich vom allgemeinen Wahrnehmen des Umkreises, über die spezielle Wahrnehmung einer aufgenommenen Speise, nach innen bis in den Stoffwechsel hinein verfolgen. Es geht um ein Wahrnehmen und Überwinden des Fremden, wobei auf der Bewustseinsseite die Seelenfähigkeiten und zum Stoffwechsel hin die innere Substanzprozesse angeregt werden."

Na een verdere beschouwing over de kosmische voeding (zie ook 4.3) gaat Bockemühl in op de speciale voedende kwaliteiten van het radijsje:

"Was wir bildhaft an der Pflanze ausgedrückt finden, hat so seine unmittelbare Entsprechung in seiner Wirksamkeit im Menschen. Dem speziellen, frühlingsgemässen Radieschen-Bildeprozess entspricht eine bestimmte Art innerer Aktivität, die aufgerufen wird, wenn das Radieschen gesehen, verdaut und assimiliert wird. Diese spezifische Anregung entspricht auch im natürlichen Jahreslauf des Menschen einem Prozess, der im Frühjahr einer besonderen Anregung bedarf.
Aber so wie sich der Mensch von den kosmischen Rhythmen vielfältig emanzipiert hat, kann es sinnvoll erscheinen, auch in anderen Jahreszeiten nach einer solchen Anregung zu verlangen."

De tuinder kan zo omgaan met de omgeving van het radijsje, dat ook in de 'verkeerde jaargetijde' het specifieke vormende proces zo goed mogelijk op gang komt.


7.6. Vergelijking tussen de plantenontwikkeling en

het menselijke beleven in licht en schaduw

In 1975 volgde een onderzoek waarbij de hoeveelheid licht werd gevariëerd. In 'Lichtwirksamkeit im Bild der Pflanzenentwicklung' (El.N. 25, 1976) wordt de verhouding plant-mens nader nader uitgewerkt. Over het jaarverloop wordt weinig nieuws bericht.
ï¡ï¿¾ de augustusplanten die in het donker groeien, ontwikkelen zich overeenkomstig als de aprilplanten die in het donker groeien.
ï¡ï¿¾ de augustusplanten die meer licht krijgen, hebben de neiging dieper in de aarde te groeien dan de aprilplanten en komen in de drie maanden groei niet tot bloei.
Het beeldmateriaal maakt het mogelijk zelf overeenkomsten te ervaren tussen het groeien van de plant in een donkere omgeving, bij zwakke schemering en bij toenemende helderheid en hoe je zelf innerlijk actief bent bij deze verschillende lichtintensiteiten. De verwantschap tussen het 'uiterlijke' van de plant en het 'innerlijke' van de mens wordt hierin concreet ervaarbaar. De volgende stap is de vraag naar voedingskundige consequenties.
Bij de tentoonstelling 'Lebenszusammenhänge' (1980) wordt in hoofdstuk 6 dit onderzoek besproken; in hoofdstuk 26 wordt er nader ingegaan op de voedingskwaliteit van het radijsje.

8. Afronding


8.1 Vervolgonderzoek

In El.N. 39, 1983 verschenen twee uitvoerige beschouwende artikelen die voor de voedingswetenschap van belang zijn. 'Vergleiche zwischen Wild-und Kulturformen zum Verständnis der Nahrungspflanze und zum Finden einer Zielrichtung für die Züchtung' bespreekt ouder onderzoek over andijvie, chicorei en Brussels lof (zie 1980) en recent onderzoek met wilde sla - kropsla en wilde granen - moderne rassen. Meerdere inzichten heeft de schrijfster (LB) besproken in haar preparatenonderzoek.

In 1996 verscheen het eerste deel van drie studieboeken over geneeskrachtige planten
'Ein Leitfaden zur Heilpflanzenerkenntnis'. (Het tweede deel is in 2000 verschenen.) Dit boek verschaft een schat aan oefenmateriaal om je op eigen kracht te verdiepen in de geneeskrachtige werkzaamheid van planten. In het hoofdstuk 'Der Jahreslauf als Hilfe, ein fühlendes Wechselverhältnis zur Welt zu entwickeln' (1996, blz. 76-81) werkt Bockemühl met kleurstemmingen. Door een scholing van het gevoelsleven kan er in de ziel een steeds fijner gedifferentiëerde verhouding tot het jaarlijkse ademproces van de natuur ontstaan. In zijn experimenten onderzoekt hij nu ook de geuren en smaken om het specifieke van een plant te ervaren.
In 1998 verscheen er in opdracht van de Duitse Antroposofische Vereniging een compendium over antroposofisch onderzoek (Grenzen erweitern - Wirklichkeit erfahren, Perspektiven anthroposophische Forschung). Hierin schreef Bockemühl een uitvoerig artikel over "Erweiterung der Naturwissenschaft durch den anthroposophischen Erkenntnisweg" (blz. 35 - 78). In de paragraaf over het imaginatieve bewustzijn bespreekt hij o.a. dat je probeert bij het waarnemen van bijv. een landschap je zo in te leven dat in het huidige ook het vroegere in een veranderde vorm gezien kan worden.

"Nach und nach gelingt es, in der Bildverwandlung geistig zu leben. Dabei wird man entdecken, daß sich das Naturgeschehen im persönlichen Verhältnis zur Welt spiegelt, z.B. im Wechsel zwischen der Hingabe des Denkens und Wollens an die Sinneserscheinungen (gleich einer Pflanze, die wachsend zum Bild ihrer Umgebung wird) und dem Leben in der eigenen Gedanken- und Willenswelt (gleich einer Pflanze, die sich mit ihren Bildemöglichkeiten in den Samen hinein konzentriert)."

Het orgaan voor het imaginatieve bewustzijn kan gevormd worden door te werken met de zielekalender van R. Steiner (GA 40).

"Der anthroposophische Seelenkalender mit seinen Sprüchen für jede Woche des Jahres macht keine Vorgabe bezüglich dessen, was man jeweils zu einer Zeit in der Natur wahrnimmt. Er hilft, die Seele, bezogen auf das in der eigenen Anschauung nach und nach entstehende Ganze, in die entsprechende Wahrnehmungsverfassung zu bringen. Dadurch wird deutlicher wahrnehmbar, wie z.B. eine Frühlingsblüte anders ist als eine Sommer- oder Herbstblüte usw. ...
Wahrnehmungsorgan-Bilden bedeutet in diesem Sinne, sich in Einklang versetzen mit dem Wesen, das man begreifen möchte, das heißt hier mit dem Leben des Jahreslaufes als Ganzheit."


8.2 Samenhangen tussen de vorm van de plant, haar standplaats en het tijdstip van bloeien

Na het verschijnen van het tentoonstellingsboek 'Lebenszusammenhänge - erleben, erkennen, gestalten' (1980), komen er tentoonstellingsboeken over 'Sterbende Wälder" (1984) en 'Erwachen an der Landschaft' (1992). Bockemühl had in Noorwegen drie standplaatsen van het driekleurig viooltje vergeleken en had een boeiende relatie tussen plantevorm en standplaats ontdekt (blz. 107 -115). Op de verschillende standplaatsen groeien verschillende plantengemeenschappen; het viooltje kon op de drie plaatsen zodanig groeien dat het steeds uitdrukking van de omgeving was. Er bestaan echter ook planten die niet zo plastisch zijn dat ze op zo verschillende plaatsen kunnen groeien. Een 'soortverwant' die wél de voor die plek 'passende' vormaanleg heeft (schapezuring - veldzuring; echt walstro - Noors walstro) verschijnt op die plek!
Dit inzicht heeft Hans Vereijken verder uitgewerkt tot een boeiende relatie tussen de vorm van de plant en het tijdstip van bloeien (1994; blz 31-44). Hij had in een glanshavergrasland gedurende het uitwikkelende jaar de planten die op hun toppunt van bloei waren geplukt en deze chronologisch geordend. Zo bloeiden in het vroege voorjaar het madeliefje en de de slanke sleutelbloem, soorten die met een naakte bloeistengel vanuit een rozet bloeien; de bladeren hebben een ronde vorm. Daarna bloeien planten met een paar bladeren aan de bloeistengel; op de ronde rozetbladeren volgen de spitse stengelbladeren. De bladmetamorfose toont een grote sprong. Tot begin mei hadden de later geplukte planten een rijker gevormde en regelmatiger bladvormenreeks. Er zijn steeds meer overgangsvormen tussen de meer ronde eerste en de meer spitse laatste bladeren; de insnijdingen van het blad nemen verder toe (tot begin mei). Vervolgens komen er planten met minder gelede bladeren en meer langwerpige, gespitste stengelbladeren. De bladeren hebben dus steeds meer de vorm van de eindbladeren van de bladvormenreeks. Begin juni bloeien tegelijkertijd meerdere grassoorten. Dit zijn planten met lange, spitse bladeren.
Door met name te kijken naar de planten met een eindstandige bloem (bij deze planten houdt in de bloeifase de lengtegroei op) ontstond er een bijzondere reeks: de gehele gestalte van de planten en hun bladvormenreeksen lieten overeenkomstige ontwikkelingstendensen zien als de groei van klaproos die in april was gezaaid. Eerst de fase van rozet (ronde bladschijf, steeds meer geleding), vervolgens stengelstrekking (kleinere, veel fijner gelede bladeren, die spitser zijn) en bloei.
De granen zijn verwanten van de grassen. Sommige granen, zoals rogge en tarwe, bloeien eveneens in de eerste helft van juni. Hun bladeren zijn lang en spits; de laatste bladeren zijn naar boven toe spitser. Het spits zijn van het blad is typisch voor de bladeren hoog aan de stengel, de bladeren die gelijk met de bloemknoppen uitgroeien. Bij de grassen en de granen zijn (tijdens de rozetfase) de bladeren zelfs tot pseudostengel geworden. De bladeren zijn in extreme mate beeld van de vormende krachten van het licht. De ontdekking van Vereijken bevestigt dit nog eens: in de maand dat de zon zich maximaal uitwikkelt, openen de grassen (en bepaalde granen) zich het meest intensief aan het licht.


8.3 Voedingskundig nawoord over de relatie van de plant tot zijn oerbeeld en tot het jaarverloop

Van Manfred Klett is een treffende uitspraak over voedingskwaliteit:

'Innigere Beziehung der Pflanze zu ihrem Urbild = Kräftigung der Nährhaftigkeit'
(Ernährungstagung 1996)

Op grond van deze literatuurstudie over 'de plant in het jaarverloop - het jaarverloop in de plant' kan deze uitspraak als volgt begrepen worden.:

Planten die een sterkere ontwikkeling doorlopen zijn méér een beeld van de opeenvolgende seizoensprocessen die van elkaar verschillen, ja zelfs tegengesteld aan elkaar zijn.
Ze zijn meer een beeld van 'de oerplant', het leven dat op ritmische wijze wordingfasen en afstervende fasen doorloopt.


Enkele voorbeelden.
ï¡ï¿¾ Wintertarwe loopt in haar ontwikkeling meer synchroon met de zonnebeweging dan zomertarwe. Ze doorloopt de verschillende seizoensfasen intensiever en toont op morfologisch niveau grotere tegenstellingen. In deze zin 'leeft' wintertarwe meer dan zomertarwe.
ï¡ï¿¾ Wintertarwe die te sterk (met kunstmest) bemest is ontwikkelt zich minder. De plant toont in de schietfase nog sterk de uitbreidende tendensen; de samentrekkende tendens - het verfijnd uitdifferentiëren - zet zich minder sterk door. Zo'n gewas toont in versterkte mate lente-eigenschappen, maar in verminderde mate zomer- en herfsteigenschappen. Het toont minder tegenstellingen; het ontwikkelt zich minder.
Door het waarnemen van het tijdsgebeuren krijg je meer zicht op de levensprocessen van de plant. Het waarnemen van veranderingssamenhangen (de plant in het jaarverloop) maakt het mogelijk dat de betekenis van een bepaalde ontwikkeling zich aan je kan openbaren. Dit is een leidraad bij het beoordelen van de specifieke eigenschappen van een bepaalde plant, van zijn bijzondere voedende waarde.

Eindnoten


1. Over zon en maan

In 1972 werd beschreven dat op de fijnere werkingen van de maanritmes en van de behandeling met zaadas nog niet kon worden ingegaan (El.N. 16, 1972). Later is er geen artikel over de maanritmes gepubliceerd. Wel heeft Bockemühl in een later onderzoek aan de klaproos (in 1971 en 1972) en in een onderzoek aan radijsjes in 1972 en 1973 weer maanvarianten opgenomen (zaaien drie dagen voor nieuwe maan, drie dagen voor halve maan, drie dagen voor volle maan en weer ongeveer een week later, drie dagen voor de laatste kwartier maan.) Hij beschrijft een jaar later dat er over een periode van drie keer wassen en afnemen een fijner, golvend ritme te bespeuren was, die samenhangen met de weersveranderingen en de maanfases doet vermoeden. Deze vraag zou nog nauwkeuriger worden onderzocht. Voor zover ik weet, is hierop geen antwoord verschenen.
Er mag niet onderschat worden hoe gecompliceerd de maanbewegingen zijn en hoe uiterst geraffineerd een onderzoeker zijn experimenten moet opzetten om later te kunnen analyseren of het bijv. ging om de werkzaamheid van het wassen van de maan, of van het uitwikkelen van de maan, of van het naderen van de aarde, of van de plaats in een bepaald Dierenriembeeld en/of Dierenriemteken. Bovendien is er nog het ruim 18-jarige maanknopenritme. Zie voor een wetenschappelijk onderzoek bijv. het promotieonderzoek (1977-1994) over dertien jaar experimenteel onderzoek van Hartmut Spieß op Dottenfelder Hof, Duitsland (1994).
En dan nog zijn er zeer veel vragen op verschillende niveau's. Wat heeft bijv. maankwaliteit te maken met enerzijds het ontkiemen van zaad (het verleden) en anderzijds het rijpen van voedingssubstanties (het vormen van soort- en omgevingsspecifieke substanties)?
Het jaarverloop, de zon, werkt zo krachtig in op de ontwikkeling van de plant, dat eventuele maanwerkingen overspeeld lijken te worden. Opmerkelijk is echter dat binnen de biologisch-dynamische landbouw bij menig (volks)tuinder meer aandacht is voor het zaaien bij verschillende maanstanden dan voor het bewust hanteren van de seizoenskwaliteiten. Dat is uit geschiedkundig, botanisch en landbouwkundig gezichtspunt niet vanzelfsprekend. In de oude culturen, zoals bijv. de Egyptische cultuur, wist men dat het jaarritme (met de overstroming van de Nijl en hitteperiodes) de plantengroei veel en veel sterker beïnvloedt dan maanritmes.


2. De sterrenhemel als beeld van de wereld van de samenhangen (de geestkosmos)

Bockemühl benadrukt ook in andere literatuur (bijv. Lebenszusammenhänge, 1980, S. 10) dat de sterrenwereld de wereld is van de 'Beziehungen'.

"Wir nehmen nur Lichtpunkte wahr, sehen aber den oder den in den Beziehungen. Beziehungen sind aber immer gedanklicher Natur. Im Sternbild haben wir den bildhaften Gedanken in seiner Urform."

Hij maakt dan in een andere samenhang nog een verdere stap: .. und ahnen damit seinen geistigen (kosmischen) Ursprung." Bockemühl maakt ons opmerkzaam op de samenhang tussen de sterk geordende bewegingen van de sterren (in dag- en jaarverloop) en onze dagelijkse waarnemingen.
Landbouwers uit vroegere tijden oriënteerden zich aan de sterrenhemel om de geschikte tijden voor het ploegen, het snoeien en het zaaien te bepalen. Dit gebeurde vooral in de culturen waar geen zonnekalender in gebruik was, maar een maankalender (Babylonische en Griekse cultuur). Ze oriënteerden zich met name aan de sterren die in het ochtendgloren voor het eerst weer aan de oostelijke hemel zichtbaar werden. Hieraan lazen ze door het jaar heen steeds andere zonnekwaliteiten af. Voor de oogsttijd hoefde men niet naar de sterren te kijken; dit werd aan de plant zelf afgelezen.

Literatuurlijst


El.N. is de afkorting van Elemente der Naturwissenschaft.

Bisterbosch, L. (1982): Eine Betrachtung der Getreide-Entwicklung als Grundlage für ein Verständnis der Ernährungsqualität des Kornes. Anthroposophisch-Naturwissenschaftliche Studienjahr am Goetheanum, Dornach.
Bisterbosch, L. (1994): Een experimentele aanzet tot het ontwikkelen van inzicht in de voedingskundige betekenis van het gebruik van spuitpreparaten. Een goetheanistisch-fenomenologisch experiment met biologisch-dynamische spuitpreparaten bij vollegrondssla op Kraaybeekerhof in Driebergen. Louis Bolk Instituut, Driebergen.
Bockemühl, J. (1966): Bildebewegungen im Lautblattbereich höherer Pflanzen.
El.N. 4.
Bockemühl, J. (1967): Äußerungen des Zeitleibes in den Bildebewegungen der Pflanzen. El.N. 7.
Bockemühl, J. (1969): Gartenkresse, Kamille, Baldrian. El.N. 11.
Bockemühl, J. (1970): Entwicklungsbilder zur Charakterisierung von Löwenzahn und Brennessel. El.N. 12.
Bockemühl, J. (1971): Beobachtungen am Pflanzenwachstum auf Erden mit Kompostzusätzen aus Stadtmüll und Klärschlamm. El.N. 15.
Bockemühl, J. (1972): Der Jahreslauf als Ganzheit in der Natur. El.N. 16.
Bockemühl, J. (1973): Vom Lesen im Buch der Natur am Beispiel des Klatschmohns (Papaver rhoeas L.). El.N. 18.
Bockemühl, J. (1973): Entwicklungsweisen des Klatschmohns im Jahreslauf als Hilfen zum Verständnis verwandter Arten. El.N. 19.
Bockemühl, J. (1973): Sal, Merkur und Sulfur als Mittler zwischen Pflanze und Mensch. El.N. 19.
Bockemühl, J. (1975): Ein Weg zur Charakterisierung von Pflanzenprozessen und zur Qualitätsbeurteilung von Nahrungspflanzen am Beispiel des Radieschens. El.N. 22.
Bockemühl, J. (1976): Lichtwirksamkeit im Bild der Pflanzenentwicklung. El.N. 25.
Bockemühl, J. (1980): Lebenszusammenhänge Naturwissenschaftliche Sektion der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft, Dornach.
Bockemühl, J. (1983): Vergleiche zwischen Wild- und Kulturformen zum Verständnis der Nahrungspflanze und zum Finden einer Zielrichtung für die Züchtung. El.N. 39.
Bockemühl, J. (1983): Urbildliche Phasen der Entwicklung höherer Pflanzen.
El. N. 39.
Bockemühl, J. (1992): Erwachen an der Landschaft. Naturwissenschaftlichen Sektion der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft am Goetheanum, Dornach.
Bockemühl, J. (1996): Ein Leitfaden zur Heilpflanzenerkenntnis. Verlag am Goetheanum, Dornach.
Bockemühl, J. (1998): Galenus' leer van de vier sappen als instrument voor inzicht in de geneeskrachtige planten, thema van een studiebijeenkomst voor farmaceuten en artsen. In.?
Bokhorst, J. e.a. (1982): Cultuurplant en landschap - de winterwortel. In: Levensprocessen in de natuur, Bolk Instituut Driebergen en Vrij Geestesleven, Zeist.
Bos, W. (1989): Die Lautäußerungen der Vogelwelt in Tages- und Jahreslauf. El.N. 51.
Dietz, K.-M. en B. Messner (1998):
Grenzen erweitern - Wirklichkeit erfahren, Perspektiven anthroposophische Forschung. Verlag Freies Geistesleben, Stuttgart.
Heyden, B. (1987): Die Gestalt der Sumpfkresse (Rorippa islandica, Oeder) im Wechsel der Jahreszeiten. In: Tycho de Brahe-Jahrbuch für Goetheanismus. Tycho de Brahe-Verlag, Niefern.
Julius, F. (1979, zesde druk): De beeldentaal van de dierenriem. Vrij Geestesleven, Zeist.
Koopmans, A. (1972): Jahreszeitliche Veränderungen im Kristallisationsbild von Viscum Alba. El.N. 16.
Liesche, C. (1986): Der wohlriechende Odermennig im Jahreslauf. In: Tycho de Brahe-Jahrbuch für Goetheanismus. Tycho de Brahe-Verlag, Niefern.
Saat, T (1984): Qualitätsuntersuchungen an Zuckerrüben in verschiedenen Anbausystemen. Intern verslag voor een studieweek met J. Bockemühl, Projektgroep Alternatieve Landbouw, LUW, Wageningen.
Schad, W. (1990): Wandlungen der Metamorphosen. In: Tycho de Brahe-Jahrbuch für Goetheanismus. Tycho de Brahe-Verlag, Niefern.
Spieß, H. (1994): Chronobiologische Untersuchungen mit besonderer Berücksichtigung lunarer Rhythmen im biologisch-dynamischen Pflanzenbau. Institut für Biologisch-Dynamische Forschung, Darmstadt.
Steiner, R. (1912): Anthroposophischer Seelenkalender. In: Wahrspruchworte, GA 40, Rudolf Steiner Verlag, Dornach.
Steiner, R. (1924): Heilpädagogischer Kurs, GA 317. Rudolf Steiner Verlag, Dornach, 1979.
Steiner, R. (1924): Geisteswissenschaftliche Grundlagen zum Gedeihen der Landwirtschaft (Landwirtschaftlicher Kurs), GA 327. Rudolf Steiner Verlag, Dornach, 1979.
Vereijken, H. (1992): Eine Wiese im Jahreslauf. In: Erwachen an der Landschaft. Naturwissenschaftlichen Sektion der Freien Hochschule für Geisteswissenschaft am Goetheanum, Dornach.
Vereijken, H. en J.D. van Mansvelt (1994):
De morfologie als informatie. Deel I: overzicht fenomenologisch onderzoek. Project 607043, Multi-stress, R.I.V.M., Bilthoven.

Share on FacebookShare on TwitterShare on LinkedInTell a friend

© Stichting Een Klaar Zicht 1995-2017

 

naar bovencontact  ·  home